Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.4.2:14.4.2 Toerekening winsten offshore vennootschappen aan aandeelhouder (Dimsey v HMRC)
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/14.4.2
14.4.2 Toerekening winsten offshore vennootschappen aan aandeelhouder (Dimsey v HMRC)
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197313:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De heer Dimsey was woonachtig in Jersey, waar hij zich via een Ltd bezighield met financiële dienstverlening aan klanten. Deze diensten omvatten de oprichting van offshorebedrijven voor personen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en het beheer van deze bedrijven. Een van de klanten was als tussenpersoon betrokken geraakt bij de levering van luchtvaartelektronica aan Zuid-Afrika. In opdracht van deze klant heeft Dimsey offshore vennootschappen opgericht om de Zuid-Afrikaanse contracten te beheren. De klant was de uiteindelijke gerechtigde tot de aandelen in de vennootschappen en had de feitelijke zeggenschap. In september 1993 is de Belastingdienst begonnen met een onderzoek naar de belastingzaken van de klant. Dimsey hielp de klant met het verstrekken van onjuiste en misleidende informatie aan de Belastingdienst over zijn offshore vennootschappen, de Zuid-Afrikaanse contracten en bepaalde bankrekeningen die de klant op Jersey had. Ook een door de klant ingehuurde advocaat heeft een rol gespeeld bij het verstrekken van deze onjuiste informatie. Op enig moment is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen de klant, de advocaat en Dimsey. Hen werd onder meer ten laste gelegd dat zij hadden doen voorkomen dat de offshore ondernemingen waren gevestigd in het buitenland, terwijl deze in werkelijkheid gevestigd waren in het Verenigd Koninkrijk omdat het beheer en de controle van die bedrijven aldaar plaatsvond. De winsten van deze vennootschappen waren volgens HMRC dan ook onderworpen aan de vennootschapsbelasting in het Verenigd Koninkrijk. Uiteindelijk zijn alle drie de verdachten stafrechtelijk veroordeeld. Alleen Dimsey is hiertegen in beroep gegaan. Hij betoogde dat de offshorebedrijven niet wettelijk gehouden waren om Britse vennootschapsbelasting te betalen over de behaalde winsten. Hij baseerde zijn betoog op artikel 739(2) ICTA, welke bepaling het mogelijk maakte om de winsten van de beweerdelijke offshore-vennootschappen te belasten bij de beneficial owner van de aandelen in die vennootschappen. Hierdoor werden de winsten van die vennootschappen voor de inkomstenbelasting beschouwd als inkomsten van de beneficial owner (vergelijkbaar met CFC-wetgeving). Toen deze zaak voorlag bij de eerste-aanleg rechter was de HRA nog niet in werking getreden. In dat stadium kon Dimsey de vraag of artikel 739(2) ICTA in strijd was met het EVRM en het Eerste Protocol dus nog niet aan de orde stellen. Toen de zaak was aangeland bij de House of Lords (destijds de hoogste rechter) was de HRA inmiddels wel in werking getreden. Dimsey kreeg leave to appeal voor het antwoord op de vragen of (i) de winsten van de offshore bedrijven voor fiscale doeleinden inderdaad moeten worden beschouwd als de inkomsten van de klant, en in het bevestigende geval, (ii) of die bepaling in strijd komt met artikel 1 Eerste Protocol. Aangezien vraag (i) in het voordeel van de HMRC werd beslist, moest de House of Lords ook een oordeel vellen over vraag (ii). Dimsey grondde zijn beroep op artikel 1 Eerste Protocol op de stelling dat het in strijd is met die bepaling om winsten tweemaal te belasten. Hij ging er dus vanuit dat de winsten zowel werden belast bij de offshore vennootschappen als bij de beneficial owner. Dat bleek echter een misvatting te zijn. Uit de uitspraak van de House of Lords blijkt namelijk dat de winst maar één keer kon worden belast.1 Daarmee ontviel grotendeels al de grond aan het betoog van Dimsey. Wat resteerde was de vraag of de wetgever de fair balance tussen algemeen en individueel belang heeft geschonden met de keuze voor een regeling die het de fiscale autoriteiten mogelijk maakt om winsten van beweerdelijke offshore vennootschappen die frauduleus buiten het Verenigd Koninkrijk zijn gehouden, mag belasten bij de in het Verenigd Koninkrijk woonachtige beneficial owner van de aandelen van die vennootschappen. Lord Scott overwoog dienaangaande als volgt:
“69. The tax liability being imposed on the tax avoider does not depend on his having actually received any benefit from the income or assets of the transferee. The liability may be regarded as having a penal character and as intended to discourage United Kingdom residents from seeking to avoid tax by transferring assets abroad. The imposition of such a tax liability is, in my opinion, well within the margin of appreciation allowed to member states in respect of tax legislation.
70. What about the transferee? The transferee will usually be resident abroad and will not be liable to pay United Kingdom tax on its income generated abroad. If, however, in any tax year the transferee becomes resident in the United Kingdom, it will have the normal tax liability of any other UK resident. Recovery by the revenue of the tax may be difficult if the transferee, although resident, has no assets in the United Kingdom, and I imagine that in such cases the revenue would usually not try to do so but instead would prefer to recover tax under section 739(2) from the transferor. I do not follow, however, how this state of affairs could possibly be represented as, constituting an infringement of the transferee’s article 1 rights.
71. In my opinion, section 739(2), construed so as to deem the transferee’s income to be the income of the transferor, the tax avoider, for income tax purposes but so as to leave the liability of the transferee to pay tax, income tax or corporation tax as the case may be, on its income unaffected by the deeming provision, is well within the margin of appreciation allowed to member states in respect of tax legislation. The public interest requires that legislation designed to combat tax avoidance should be effective. That public interest outweighs, in my opinion, the objections, mainly theoretical, that Mr Venables [counsel for Mr. Dimsey] has taken to the effect of section 739(2) construed as I would construe it. There is nothing, in my opinion, in article 1 of Protocol No 1 that requires a different construction of section 739(2) in order to render it Convention compliant.”
Dit oordeel acht ik overtuigend. Er bestaan goede argumenten voor de wetgever om via offshore vennootschappen ontdoken belasting te heffen bij natuurlijke personen die in het Verenigd Koninkrijk wonen en die de alleenheersers over die vennootschappen zijn. Dit is vanuit het oogpunt van artikel 1 Eerste Protocol bezien zeker aanvaardbaar, zolang hiervoor maar een wettelijke grondslag bestaat en de fiscale autoriteiten hun bevoegdheden op een voorzienbare en niet willekeurige wijze uitoefenen. Het voor fiscale doeleinden toerekenen van winst van vennootschappen aan beleidsbepalende natuurlijke personen, zoals aan de orde in Dimsey, verschilt bovendien niet wezenlijk van CFC-wetgeving of van het aansprakelijk stellen van bestuurders, aandeelhouders of andere betrokkene voor de belastingschulden van door hen bestuurde of bezeten vennootschappen. Het EHRM heeft geen moete met dergelijke wetgeving, mits er een voldoende wettelijke basis voor de aansprakelijkstelling bestaat.2 Bovendien gaat het in casu om wetgeving die ten doel heeft om misbruik te bestrijden, een onderwerp waar het EHRM de lidstaten bij uitstek veel vrijheid laten. Het oordeel van de House of Lords dat de onderhavige wetgeving “well within the margin of appreciation allowed to member states in respect of tax legislation” valt, lijkt me dan ook zonder meer juist. Wel valt op dat de House of Lords zich lijkt te beperken tot een regeltoetsing. Er wordt immers uitsluitend beoordeeld of artikel 739(2) van de ICTA Act 1988 aanvaardbaar is. Of de toepassing van die bepaling in het specifieke geval van Dimsey leidt tot een individual and excessive burden wordt niet onderzocht. Dat kon in casu ook niet anders, aangezien Dimsey niet degene was die de belasting moest betalen. Zijn beroep had uitsluitend als doel te voorkomen dat hij strafrechtelijk veroordeeld kon worden wegens betrokkenheid bij belastingontduiking door een ander.