Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.4.3:2.4.3 Overige argumenten voor het opportuniteitsbeginsel
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.4.3
2.4.3 Overige argumenten voor het opportuniteitsbeginsel
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn proefschrift onderbouwt Boot de keuze voor het opportuniteitsbeginsel met vijf argumenten die ook in latere discussies terugkomen.1 Het eerste argument is dat alle rechten die aan de staat toekomen, in het algemeen belang aan de staat zijn toebedeeld. Daarom moet de uitoefening van overheidsmacht ook de behartiging van het algemeen belang tot doel hebben. Wanneer overheidsingrijpen door strafvervolging het algemeen belang meer kwaad doet dan goed, of het zelfs regelrecht bedreigt, moet het achterwege blijven. Het tweede argument hangt hiermee direct samen. Het doel waarmee het om werd ingesteld was om het algemeen belang, als reden voor het instellen van strafvervolging, in de plaats te stellen van de particuliere wraakzucht. Als dus uit persoonlijke hartstocht of wraakzucht een onbeduidende klacht wordt ingediend, zonder dat er een algemeen belang is bij strafvervolging, brengt de roeping van het om mee dat er niet vervolgd wordt. Daarmee is het slachtoffer nog niet uit het zicht verdwenen, want, en dat is het derde argument, de staat zou niet verplicht moeten zijn om gebruik te maken van zijn vervolgingsrecht als de schending van de rechtsorde gering is en strafvervolging nadelig is voor de belangen van het slachtoffer. In plaats daarvan zou het algemeen belang moeten worden afgewogen tegen de particuliere belangen die bij een mogelijk strafproces betrokken zijn. Het vierde argument wijst op de gevallen waarin de wetgever het recht tot strafvervolging in alle gevallen afhankelijk heeft willen maken van particuliere belangen door een klachtvereiste op te nemen. Nu zijn er maar weinig klachtdelicten, maar als het zo is dat bij die delicten het particuliere belang altijd strafvervolging kan tegenhouden, zouden die belangen dan niet ook mogen meewegen bij de vele niet-klachtdelicten? Het om zou daarom ook in die gevallen waarin geen klacht vereist is moeten kunnen beslissen om niet te vervolgen. Het vijfde en laatste argument beroept zich op de algemeenheid van de wet, die zo ruim is dat de grote hoeveelheid feiten die onder het bereik van de strafwet vallen onmogelijk allemaal vervolgd kunnen worden. Bovendien zou men in veel gevallen ook nog van slechte redactie van de wet kunnen spreken. Dit argument wint volgens Boot nog aan kracht doordat Nederland geen juryrechtspraak kent, waardoor de matigende invloed die van de jury uit kan gaan ontbreekt, en de rechter zich soms gedwongen ziet een te strenge wetsbepaling toe te passen. Dit zijn volgens Boot doorslaggevende argumenten om het opportuniteitsbeginsel te verkiezen boven het legaliteitsbeginsel. Uit deze argumenten komt volgens Corstens naar voren dat het opportuniteitsbeginsel in verband wordt gebracht met het evenwicht van de staatsmachten en met name met de verhouding tussen de wetgever en het om. Opvallend is verder dat er niet wordt gerefereerd aan theorieën over de rechtvaardiging en het doel van straffen.2
Geconstateerd kan worden dat in de discussie over legaliteit en opportuniteit die in de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw werd gevoerd er niet alleen algemeen van uitgegaan werd dat het opportuniteitsbeginsel in de praktijk werd toegepast, maar ook dat die praktijk wenselijk werd geacht.3 Over de vraag of die praktijk door het Wetboek van Strafvordering werd gelegitimeerd bestond geen overeenstemming, hoewel er goede redenen zijn om aan te nemen van wel. De officier van justitie had altijd al een zekere mate van vrijheid bij de vervolgingsbeslissing, en die vrijheid werd in de loop van de negentiende eeuw nog vergroot. Doordat de nadruk op vergelding verminderde, en de Moderne richting opkwam, kwam er meer aandacht voor de invloed die strafoplegging en vervolging op het leven van de verdachte en de veroordeelde hebben, waardoor opvattingen over het opportuniteitsbeginsel veranderden.4 Het om is zich meer gaan realiseren dat het instellen van strafvervolging voorzichtig moet gebeuren en voorafgegaan moet worden door een zorgvuldige belangenafweging.5 Desondanks bleef men het achterwege laten van strafvervolging beschouwen als een uitzondering op de regel, een uitgangspunt dat we tegenwoordig zouden aanduiden als de negatieve interpretatie van het opportuniteitsbeginsel. Dit toont aan dat het legaliteitsbeginsel een duidelijke matigende invloed had op het opportuniteitsbeginsel. Deze matigende invloed was eerst voornamelijk afkomstig uit Franse hoek, later was deze gebaseerd op het Duitse wantrouwen jegens de rol van het om als deel van de uitvoerende overheid. Die Duitse invloed is het onderwerp van de volgende paragraaf.