Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.3:2.3 Raakvlakken Wet op de Arbeidsovereenkomst en Faillissementswet
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/2.3
2.3 Raakvlakken Wet op de Arbeidsovereenkomst en Faillissementswet
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS303567:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Uit het Verslag van de Tweede Kamer moet afgeleid worden, dat de discussie niet erg grondig is gevoerd, ofwel dat het verslag van wat daadwerkelijk is besproken zeer summier is gebleven.
HR 12 januari 1990, NJ 1990, 662 (Van Gelder Papier), r.o. 3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de Faillissementswet ruim tien jaar eerder van kracht werd dan de Wet op de Arbeidsovereenkomst is sprake van een overlapping in beide wetgevingsprocessen. Ten tijde van de behandeling van het wetsvoorstel voor de Faillissementswet, werd in de Tweede Kamer ook al, soms door dezelfde volksvertegenwoordigers, over nieuwe regelgeving voor het arbeidsovereenkomstenrecht gedebatteerd. Overeenkomstig de toentertijd bij een groot deel van het parlement levende wens werknemers aanvullende bescherming te geven, gezien hun economisch afhankelijke positie, is in de Faillissementswet al een bepaling opgenomen, die werknemers van een gefailleerde werkgever enigszins tegemoet komt. Hoewel deze bepaling in de Tweede Kamer welwillend werd ontvangen, valt ook enig cynisme te bespeuren, blijkens de volgende passage uit het "Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord":
"Naar aanleiding van deze bepaling (bedoeld wordt artikel 40 Fw, JvdP) werd de opmerking vernomen, dat het weinig logisch voorkwam het lot der hier bedoelde personen na het faillissement te regelen, terwijl de wetgever tot heden zich hunne belangen vóór het faillissement zoo weinig heeft aangetrokken."
Desondanks kwam artikel 40 Fw er. Het bepaalde, onder het kopje 'Opzegging van de huur van diensten', het volgende:
"Alle bezoldigde betrekkingen in dienst van den gefailleerde kunnen zoowel door den curator als door den medecontractant des gefailleerden opgezegd worden, met inachtneming van de gebruikelijke of overeengekomen termijnen. Echter zal een termijn van zes weken in elk geval voldoende zijn. Van den dag der faillietverklaring af is het salaris boedelschuld."
Uit de memorie van toelichting blijkt dat de regering deze bepaling in eerste instantie zo uitlegde, dat zij aan werknemers extra rechtszekerheid verschafte, in de vorm van de zekerheid van een voortzetting van hun arbeidsovereenkomst gedurende ten minste zes weken:
"(...) Artikel 40 waarborgt hun, dat zij althans gedurende zes weken hunne betrekkingen behouden, en verzekert den curator gedurende denzelfden tijd eene hulp, die hij misschien moeilijk zal kunnen missen. De termijn mocht niet ruimer genomen worden, om den boedel niet met een te hoog bedrag aan salarissen te belasten voor het geval dat de curator de diensten der bepaalde personen kan ontberen."
Deze uitleg van de regering was opmerkelijk en zelfs onjuist, omdat uit de wettekst zelf moeilijk iets anders afgeleid kon worden dan dat een curator in bepaalde gevallen ook met inachtneming van een kortere termijn dan zes weken zou kunnen opzeggen, zodat de regeling de door de regering genoemde waarborg niet bood. Dit gold, zoals in het parlement ook werd betoogd, bijvoorbeeld voor de werkman die voor een dag of een week is aangenomen, maar ook indien sprake was van gebruikelijke of overeengekomen termijnen van opzegging die korter waren dan zes weken. De regering leek1 vervolgens terug te krabbelen door alsnog te benadrukken, dat de gebruikelijke opzegtermijnen zullen gelden, tenzij deze langer zijn dan zes weken, waarmee uiteindelijk dus slechts sprake was van een verkorting van de opzegtermijn in een beperkt aantal gevallen, namelijk die met een langere opzegtermijn voor de werkgever dan zes weken.
De bepaling werd daarom in de Tweede Kamer 'noodeloos hard' genoemd, waarop de regering repliceerde, dat
"(...) het voor de schuldeiser altijd zeer hard is als de schuldenaar failliet gaat en zij dientengevolge het hun rechtmatig toekomende niet ontvangen. Die hardheid brengt echter niet de wet te weeg en kan zij evenmin wegnemen. De onvermijdelijke omstandigheden leggen echter den wetgever den plicht op, aangelegenheden, als waarover art. 40 handelt, op eene billijke en praktische wijze te regelen. In geen geval zal de hardheid, gelegen in de omstandigheid, dat een werkgever failliet gaat, worden weggenomen door de zaak ongeregeld te laten. Integendeel: de regeling tracht juist de nadeelige gevolgen van het faillissement binnen zekere door de billijkheid aangewezen grenzen te beperken".
De winst van artikel 40 Fw voor werknemers was al met al beperkt. De curator diende de gebruikelijk regels omtrent opzegging in acht te nemen, met een maximum van zes weken. Wel kon nog als voordeel voor de werknemer worden gezien, dat deze op grond van dit artikel een arbeidsovereenkomst in geval van faillissement zelf altijd kon opzeggen met inachtneming van een termijn van maximaal zes weken, ook als sprake was van een langere opzegtermijn of van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdse opzegmogelijkheid/-termijn.
De wetgever heeft met deze regeling een afweging willen maken tussen enerzijds de belangen van werknemers en anderzijds die van de (overige) crediteuren. Heel veel later, in 1990, heeft de Hoge Raad de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever nog eens samengevat (en bevestigd):2
"Voorop moet worden gesteld dat de regeling van art. 40 (...) meebrengt dat, zo instandhouding van de dienstbetrekking niet in het belang van de boedel is, de werknemers in bepaalde gevallen kunnen worden ontslagen op een kortere termijn dan uit de overeenkomst of de wettelijke termijnen van opzegging voortvloeit, en dat deze wettelijke regeling aldus is getroffen teneinde te vermijden dat de boedelschulden, die krachtens het vierde lid (het huidige tweede lid, JvdP) door het voortduren van de arbeidsovereenkomst na de faillietverklaring ontstaan, zouden oplopen tot een door de wetgever niet verantwoord geachte hoogte. Deze regeling berust aldus op een afweging van het belang van de betrokken werknemers en dat van de faillissementscrediteuren, welke afweging bij de Wetten van 17 dec. 1953, Stb. 619, en van 30 mei 1968, Stb. 270, telkens opnieuw onder ogen is gezien (HR 5 dec. 1975, NJ 1976, 269). Na de in deze zaak aan de orde gestelde feiten is dat opnieuw gebeurd bij de Wet van 1 dec. 1988, Stb. 573."
Overigens is, zoals hiervoor ook door de Hoge Raad werd gememoreerd, in artikel 40 Fw het loon vanaf de faillissementsdatum als boedelschuld aangemerkt, hetgeen ook als een tegemoetkoming jegens de werknemer mag worden gezien.