Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/1.2
1.2 Afbakening onderzoeksterrein
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434222:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
PbEU 2003, L 338/1. Bij de behandeling van deze verordening wordt ook kort ingegaan op het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ' s-Gravenhage 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299, alsmede het Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, 's-Gravenhage 13 januari 2000, Trb. 2000, 10.
PbEG 2001, L 12/1.
Zie bijv. A.I. Mendelsohn & R. Lieux, 'The Warsaw Convention Article 28, the Doctrine of Forum Non Conveniens, and the Foreign Plaintiff , J. Air L. & Com. 2003, p. 75-114; D. Santoro, 'Forum non conveniens: a valid defense under the New York Convention?', ASA Bulletin 2003, p. 713-735; K.R. Dieterich, 'Forum Non Conveniens and the Warsaw Convention: Leaving the Turbulence Behind?' , Hofstra L. Rev. 2005, p. 1507-1543.
Vgl. hierover Y. Shany, The Competing Jurisdictions o fInternational Courts and Tribunals, Oxford: Oxford University Press 2003 (i.h.b. p. 21-74); J. Paulsson, Denial o f Justice in International Law, Cambridge: Cambridge University Press 2005.
Zie M. Bohlander, `Referring an Indictment from the ICTY and ICTR to another Court — Rule 1 ibis and the Consequences for the Law of Extradition', ICLQ 2006, p. 219-226.
De onderhavige studie handelt over forum non conveniens en het daarmee samenhangende forum conveniens alsmede forum necessitatis in het Nederlandse internationaal privaatrecht (IPR). Het bevoegdheidsrechtelijke kader waarbinnen deze drie fora worden bestudeerd is in een aantal opzichten beperkt. In de eerste plaats gaat de aandacht primair uit naar de positie van deze drie flexibiliteitsmechanismen in het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht, zoals dat sinds 1 januari 2002 is te vinden in art. 1 t/m 14 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Voorts wordt aandacht besteed aan forum non conveniens en forum necessitatis in twee voor de Nederlandse rechtspraktijk belangrijke EG-verordeningen, te weten Verordening (EG) Nr. 2201/2003, betreffende de rechtsmacht, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel IIbis),1 en Verordening (EG) Nr. 44/2001, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening of Brussel I).2 Aan andere internationale instrumenten wordt geen aandacht besteed, hoewel daar ook vragen met betrekking tot het forum (non) conveniens en het forum necessitatis zouden kunnen rijzen.3
Verder is het bevoegdheidsrechtelijke kader begrensd tot internationaal privaatrechtelijke geschillen. Aan de positie die het forum (non) conveniens en forum necessitatis in het internationaal publiekrechtelijke en/of strafrechtelijke jurisdictierecht inneemt c.q. zou kunnen innemen, wordt in deze studie geen aandacht besteed.4 Ter illustratie wijs ik hier op art. 1 lbis van de Reglementen voor de procesvoering van het Internationaal Tribunaal voor het voormalig Joegoslavië resp. het Rwanda Tribunaal. Onder bepaalde voorwaarden kunnen de Tribunalen de behandeling van een bij hen aanhangig gemaakte zaak opschorten teneinde deze, op grond van overwegingen die vergelijkbaar zijn met forum non conveniens, te verwijzen naar de autoriteiten van een staat waarin(i) het strafbare feit is gepleegd of (ii) de verdachte is gearresteerd dan wel (iii) naar de bevoegde autoriteiten van een staat die zich bereid hebben getoond de zaak verder in behandeling te nemen.5