Einde inhoudsopgave
Mededinging en verzekering (R&P nr. VR8) 2019/7.3.1.1
7.3.1.1 Onderlinge afspraken, afgestemd marktgedrag en/of een besluit van een ondernemersvereniging?
mr. drs. G.T. Baak, datum 11-12-2019
- Datum
11-12-2019
- Auteur
mr. drs. G.T. Baak
- JCDI
JCDI:ADS183525:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Algemeen
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Een afspraak omvat overeenkomsten, onderlinge afstemming van marktgedrag en/of besluiten van een ondernemersvereniging.
Richtsnoeren Horizontalen, punt 260.
Zie hoofdstuk 2, par. 2.3.1.1.
HvJ EG 19 oktober 1980, gevoegde zaken 209-212/78, Jur. 1980, p. 3125-3281 (Fedetab).
Beschikking van de Commissie van 5 december 1984 (IV/30.307), Pb 1985 L 35/20.
HvJ EG 27 januari 1987, C-45/85, Jur. 1987, 415 (Verband der Sachversicherer/Commissie).
De vraag kan rijzen hoe het zit met een aanbeveling/suggestie van bijvoorbeeld het Verbond over het gebruik van een nieuwe uitsluitingsclausule (zoals een opzetclausule) in verzekeringspolissen. Ik kom op het gebruik van uitsluitingsclausules en de toetsing daarvan aan het mededingingsrecht terug in par. 7.3.1.2.
HvJ EG 14 juli 1972, C-48/69, Jur. 1972, ro. 64 (ICI); Vgl. HvJ EG 8 juli 1999, C-49/92 P, Jur. 1999, p. I-4125, ro. 115 met verdere verwijzingen (Anic Partecipazioni). Vgl. de Richtsnoeren Horizontalen, punt 60-63. Voor een onderling afgestemde feitelijke gedraging is niet vereist dat partijen gezamenlijk een plan hebben opgesteld (HvJ EG C-7/95 P, ro. 86 (John Deere)).
HvJ EU 4 juli 2009, C-8/08, Jur. 2009, p. I-4529 (T-Mobile Netherlands e.a), ro. 31.
HvJ EU 4 juli 2009, C-8/08, Jur. 2009, p. I-4529 (T-Mobile Netherlands e.a), ro. 34.
HvJ EU 4 juli 2009, C-8/08, Jur. 2009, p. I-4529 (T-Mobile Netherlands e.a), ro. 35 onder verwijzing naar arrest Deere/Commissie, punt 90, en arrest van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie, C-194/99 P, Jurispr. blz. I-10821, punt 81.
HvJ EU 4 juli 2009, C-8/08, Jur. 2009, p. I-4529 (T-Mobile Netherlands e.a), ro. 39.
Zie ook: de Beschikking van de Europese Commissie, van 20 december 1989, IV/32.265, PbEG 1990 L 15/25, (Concordato Incendio) rn. 19 waarin het ging om samenwerking tussen Italiaanse verzekeraars ten aanzien van de vaststelling van nettopremietarieven en algemene standaardcondities op de markt voor de brandverzekering van industriële risico’s.
Het Europese kartelverbod is als gezegd te vinden in artikel 101 lid 1 van het Werkingsverdrag en komt er in de kern op neer dat alle overeenkomsten tussen ondernemingen, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van een ondernemersvereniging die ertoe strekken of als gevolg hebben dat de mededinging op de interne markt wordt beperkt, zijn verboden. In artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet is het kartelverbod opgenomen voor kartels die alleen invloed hebben op de mededinging op de Nederlandse markt. Bij de bespreking van het kartelverbod ga ik uit van artikel 101 van het Werkingsverdrag, gelet op de onderlinge verhouding tussen beide wetsartikelen en het feit dat artikel 6 van de Mededingingswet nauw aansluit bij het Europese mededingingsrecht.
Het kartelverbod richt zich kort gezegd tot ondernemingen en verbiedt hen ‘afspraken’ te maken die de mededinging beperken.1 Zoals uit de bespreking hierna zal blijken, is een besluit van een ondernemersvereniging de categorie die in het bijzonder relevant is voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van standaardvoorwaarden onder het kartelverbod. Onder deze vorm van samenwerking vallen bijvoorbeeld de aanbevelingen van brancheorganisaties om bepaalde polis clausules te gebruiken.
Het feit dat het kartelverbod zich richt tot ondernemingen betekent dat standaardvoorwaarden slechts onder het toepassingsbereik van het kartelverbod kunnen vallen voorzover overeenstemming tussen ondernemingen aan het hanteren van die voorwaarden ten grondslag ligt. Die overeenstemming kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat voorwaarden gezamenlijk worden vastgesteld in een brancheorganisatie (waarin ondernemingen zich hebben verenigd). Het kartelverbod is niet van toepassing op standaardpolisvoorwaarden waaraan geen vorm van coördinatie tussen met elkaar concurrerende ondernemingen ten grondslag ligt, hetzij in de vorm van een overeenkomst, afgestemd marktgedrag of een besluit van een ondernemersvereniging. Dat betekent dat standaardproductvoorwaarden die zelfstandig door een individuele verzekeraar of makelaar voor eigen gebruik zijn opgesteld, buiten de toepassing zullen vallen van het kartelverbod.2
Meest in het oog springend voor de toetsing van standaardpolisvoorwaarden op de coassurantiemarkt aan het kartelverbod is, zoals gezegd, de categorie ‘besluit van een ondernemersvereniging’. Tevens kunnen ‘afspraken’ aangeduid als onderling afgestemd feitelijk marktgedrag relevant zijn voor de beoordeling van standaardbeurspolissen. Beide type kartelovereenkomsten bespreek ik hieronder.
Besluit van een ondernemersvereniging
In hoofdstuk 2 van dit boek heb ik reeds aangegeven wanneer in het mededingingsrecht gesproken wordt van een besluit van een ondernemersvereniging.3 Kort samengevat vallen daaronder zowel de juridisch bindende beslissingen als de niet-bindende beslissingen (aanbevelingen) die door de leden van een ondernemersvereniging (VNAB, Verbond) in de regel worden opgevolgd (en daardoor feitelijk in de praktijk wel tot afstemming leiden). Daarom vallen ook de als vrijblijvend gepresenteerde aanbevelingen, waarbij degenen tot wie die gericht zijn te kennen hebben gegeven dat zij die aanbeveling zullen opvolgen, onder de reikwijdte van het besluitbegrip.4 Illustratief is het Sachversicherer-arrest. In dit arrest ging het om een beroep van het ‘Verband der Sachversicherer’, daarin ondersteunt door het ‘Gesamtverband der Deutschen Versicherungswirtschaft’, tegen de beschikking van de Europese Commissie van 5 december 1984, waarbij werd vastgesteld dat een aanbeveling tot verhoging van de premietarieven voor brandverzekeringen ertoe strekt de mededinging te beperken.5 Het Hof stelt (in de hieronder opgenomen overwegingen 28 t/m 32) vast dat de Europese Commissie, ondanks dat de aanbeveling vrijblijvend van aard was, niettemin kon concluderen dat sprake was van een besluit in de zin van het kartelverbod:
28. Volgens de Commissie is het Verband der Sachversicherer statutair bevoegd, het marktgedrag van zijn leden te regelen. Het deskundigencomité waarvan de aanbeveling afkomstig is, zou statutair bevoegd zijn, besluiten te nemen en aanbevelingen te doen die de vereniging binden. Voorts zouden aanbevelingen van een ondernemersvereniging, die door haar comités zijn uitgewerkt en vervolgens ter kennis van haar leden gebracht, de uitdrukking zijn van een onderling afgestemde gedraging van de bij die vereniging aangesloten ondernemingen met de bedoeling, hun onderlinge mededinging te beperken.
29. In dit verband moet met verschillende elementen rekening worden gehouden. In de eerste plaatsstaat vast, dat de bij het Verband der Sachversicherer aangesloten verzekeringsondernemingen eengemeenschappelijk belang hadden bij sanering van de markt door middel van verhoging van depremies, die in de sector van de industriële brandverzekering tussen 1973 en 1980 aanzienlijkwaren gedaald, terwijl de schade- en kostenquoten van de verzekeraars in dezelfde periode nietwezenlijk waren veranderd (curs, GTB). Volgens de in zoverre onbestreden vaststelling in de beschikking hebben de verzekeringsondernemingen op deze negatieve tendens niet individueel met een premieverhoging gereageerd, omdat zij als samengestelde vennootschappen of tot een concern behorende ondernemingen in meerdere branches van de verzekering van industriële risico's bedrijvig waren; zij poogden derhalve, in andere branches belangrijke transacties binnen te halen door hun industriële klanten voor brandverzekeringscontracten premies aan te rekenen die niet kostendekkend waren.
30. In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met de aard van de aanbeveling zelf. Ofschoon deze onverbindend heet te zijn, schrijft zij dwingend een collectieve, forfaitaire en lineaire premieverhoging voor. Dat zulks de bedoeling was, blijkt overigens uit de omstandigheid dat de Duitse herverzekeringsondernemingen kort na de mededeling van de aanbeveling aan de leden van het Verband der Sachversicherer besloten, om in hun herverzekeringscontracten betreffende dezelfde risico's een speciale „premieberekeningsclausule" op te nemen, volgens welke een niet met de aanbeveling strokende tarifering in geval van schade als onderverzekering zou worden beschouwd.
31. In de derde plaats blijkt uit verzoekers statuten, dat hij bevoegd is om de activiteiten van zijn leden, onder meer op mededingingsgebied, te coördineren, dat het deskundigencomité industriële risico's tot taak heeft, het tariefbeleid van de leden te coördineren, en dat besluiten of aanbevelingen van dat comité definitief zijn, tenzij een daartoe uitdrukkelijk aangewezen orgaan goedkeuring door het hoofdcomité verlangt.
32. Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld dat de aanbeveling, ongeacht hoe zij juridisch precies moet worden gekwalificeerd, een getrouwe weergave was van verzoekers wil om het gedrag van zijn leden op de Duitse verzekeringsmarkt overeenkomstig de aanbeveling te coördineren. Zij vormt derhalve een besluit van een ondernemersvereniging in de zin van artikel 85, lid 1,EEG-Verdrag [ het huidige art. 101 lid 1 van het Werkingsverdrag, GTB].6
Uit de hierboven opgenomen overwegingen van het Hof valt af te leiden dat voor het vaststellen van een besluit met verschillende elementen rekening moet worden gehouden. Het Hof noemt in ro. 29 het gemeenschappelijk belang van de bij het Verband der Sachversicher aangesloten verzekeringsondernemingen bij de verhoging van de premies. Op de negatieve tendens in de sector industriële brandverzekering hadden de verzekeraars niet individueel met een premieverhoging gereageerd, terwijl dat gelet op de hoogte van de schade en de kosten wel voor de hand zou hebben gelegen. De vraag kan rijzen of de overweging van het Hof anders zou zijn geweest als de schade- en kostenquoten van de verzekeraars in de desbetreffende periode wel wezenlijk waren veranderd. Dat lijkt mij niet het geval. Ook als de premies wel kostendekkend zouden zijn geweest (in die zin dat de schadelast lager zou was in de desbetreffende periode), en er dus in mindere mate een gemeenschappelijk belang achter het besluit schuilging (de noodzaak tot premieverhoging zou minder sterk aanwezig zijn), zou het enkele feit dat de ondernemersvereniging een premieverhoging voorschrijft die door de leden wordt opgevolgd al de mededinging beperken. Het tweede element dat het Hof noemt in ro. 30, de aard van de aanbeveling, is wezenlijk (geworden) voor de interpretatie van het besluitbegrip. Het Hof leidt uit de omstandigheid dat de Duitse herverzekeraars kort na de mededeling van de aanbeveling een ‘premieberekeningclausule’ opnamen in hun herverzekeringscontracten de bedoeling af dat de aanbeveling, ofschoon zij ‘onverbindend’ was, toch een dwingende premieverhoging voorschreef. Het besluitbegrip wordt door het Hof dus ruim geïnterpreteerd; ook niet bindende aanbevelingen kunnen eronder vallen. Ten slotte is relevant dat uit ro. 31 (in samenhang gelezen met ro. 28) volgt dat de ondernemersvereniging statutair bevoegd was om het tariefbeleid en daarmee het marktgedrag van de leden te regelen/coördineren. Het Hof komt (in ro. 32) tot de slotsom dat de aanbeveling, ongeacht hoe zij juridisch precies moet worden gekwalificeerd, een getrouwe weergave vormde om het gedrag van de leden op de Duitse verzekeringsmarkt te coördineren. De aanbeveling was daarmee in besluit in de zin van het mededingingsrecht.
Het arrest laat zien dat van een besluit sprake zal zijn als de wil van de ondernemersvereniging erop is gericht om het gedrag van de leden op een bepaalde markt te coördineren. De ruime interpretatie van het begrip ‘besluit’ in het mededingingsrecht betekent dat standaardvoorwaarden die worden verspreid op de Nederlandse verzekeringsmarkt eveneens onder de reikwijdte van het besluitbegrip kunnen vallen. De VNAB en het Verbond coördineren als brancheorganisaties immers niet alleen het proces waarbij er tussen (vertegenwoordigers van) de makelaar- en verzekeraars die lid zijn van de VNAB en het Verbond wordt samengewerkt over standaardvoorwaarden maar stelt de uit dat overleg voortvloeiende voorwaarden ook vast en verspreid deze onder haar leden. Weliswaar is aangegeven dat deze standaardvoorwaarden van de VNAB (de VNAB modelvoorwaarden) niet-bindend zijn en dat zij slechts dienen als model waarvan door middel van wijzigingen, aanvullende bepalingen en/of clausules kan worden afgeweken. In zoverre zou er geen sprake zijn van een juridisch bindend besluit. Maar, zoals ik aangaf, kunnen ook niet-bindende besluiten en zelfs adviezen en aanbevelingen onder het mededingingsrechtelijke begrip ‘besluit’ vallen. Ondanks de mogelijkheid dat van de modelpolisvoorwaarden kan worden afgeweken, kan daarom niet worden uitgesloten dat zij onder omstandigheden mededingingsrechtelijk onder het besluitbegrip kunnen vallen.7
Indien de onderhavige VNAB-besluiten en/of aanbeveling van het Verbond tot vaststelling van standaardpolisvoorwaarden mededingingsrechtelijk een besluit opleveren, is het vervolgens de vraag of dat besluit de strekking of het gevolg heeft om de mededinging op de coassurantiemarkt te beperken. Het antwoord op die vraag staat centraal in par. 7.3.1.2 van dit hoofdstuk. Eerst bespreek ik nog de vraag of standaardpolisvoorwaarden kunnen resulteren in een kartelgedraging op grond van de categorie onderling afgestemd feitelijk marktgedrag. Een ‘kartelafspraak’ kan immers trekken hebben van een overeenkomst, een besluit of een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Dat betekent dat niet per se voldaan hoeft te zijn aan het begrip ‘besluit’ om onder het toepassingsbereik van het kartelverbod te vallen. Ook standaardvoorwaarden die kunnen worden beschouwd als een onderlinge afstemming van marktgedrag vallen onder het kartelverbod. Dat aspect behandel ik in de volgende paragraaf.
Onderlinge afstemming van marktgedrag
Het gebruik van dezelfde standaardpolisvoorwaarden door verzekeraars kan als gezegd ook de uitdrukking zijn van onderling afgestemd marktgedrag. Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat daarmee wordt bedoeld een vorm van coördinatie tussen ondernemingen die zonder dat het tot een eigenlijke overeenkomst komt welbewust de risico’s van onderlinge concurrentie uitschakelt.8 Een bekend voorbeeld hiervan is te vinden in het T-Mobile-arrest waarin werd vastgesteld dat vijf operators van mobiele telecommunicatiediensten op de Nederlandse markt (T‑‑Mobile, KPN, Dutchtone NV, thans Orange, Libertel‑‑Vodafone NV, thans Vodafone en Telfort Mobiel BV, thans Telfort), waren samengekomen om een verlaging te bespreken van de standaard dealervergoeding en dat daarbij tevens vertrouwelijke informatie was uitgewisseld. Door het Hof wordt met betrekking tot de vraag of de onderling afgestemde feitelijke gedraging ertoe strekt de mededinging te beperken, overwogen dat daarvan reeds sprake is indien de gedraging negatieve gevolgen voor de mededinging kan hebben.9 Het Hof overweegt dat de uitwisseling van informatie tussen concurrenten op een oligopolistische markt met een hoge concentratiegraad – waar in het arrest sprake van was vanwege onder meer het gering aantal aanbieders en de hoge toetredingsdrempels – de ondernemingen in staat stelt om kennis te krijgen van de marktpositie en de marketingstrategie van hun concurrenten waardoor de nog resterende mededinging merkbaar wordt beïnvloed.10 De uitwisseling van informatie tussen concurrenten is daarom ook in strijd met het mededingingsrecht als zij de onzekerheid over de marktwerking vermindert of wegneemt waardoor de mededinging wordt beperkt.11 Voor het aannemen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging die ertoe strekt de mededinging te beperken is bovendien, zo volgt uit het arrest, niet noodzakelijk dat een rechtstreeks verband met de gebruikersprijzen bestaat.12
In de vertaling naar de markt waar dit onderzoek zich op richt zullen standaardpolisvoorwaarden vaak geen rechtstreeks verband hebben met de in rekening te brengen premies. Toch valt een indirect verband niet helemaal uit te sluiten. Het gebruik van bepaalde standaardvoorwaarden kunnen ook indirect verband vertonen met de in rekening te brengen premie.13 Bijvoorbeeld het uitsluiten van bepaalde risico’s in polissen. Uit T-Mobile volgt echter dat een uitwisseling van informatie, ook al is deze indirect van invloed op de consumentenprijzen, een beperking van de mededinging tot gevolg kan hebben. Waar het bij het in kaart brengen van de toepasselijkheid van de categorie ‘onderling afgestemd marktgedrag’ hier echter om gaat, is dat onderlinge afstemming van marktgedrag kan worden aangenomen als verzekeraars dezelfde polisvoorwaarden hanteren, waardoor zij hun zelfstandigheid in de productvormgeving en marktpositionering hebben prijsgegeven, mits aan het gebruik daarvan afstemming ten grondslag ligt. Te denken valt bijvoorbeeld aan het hanteren van dezelfde (maximale) dekkingsomvang. Parallel marktgedrag is bijvoorbeeld ook aanwezig bij het gebruik van dezelfde polisvoorwaarden bij coassurantie of in een pool. Voorzover daar afstemming aan ten grondslag ligt, zou eveneens sprake kunnen zijn van onderling afgestemd feitelijk marktgedrag. Wanneer verzekeraars ten aanzien van standaardpolisvoorwaarden informatie uitwisselen of komen tot een afspraak om dezelfde voorwaarden te gebruiken, is er bewijs voor afstemming en resteert mededingingsrechtelijk de vraag of dit de mededinging beperkt. In de volgende paragraaf werk ik dat aspect verder uit.