De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.12.1:5.12.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.12.1
5.12.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949533:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt wel gesteld dat er algemene beginselen van behoorlijke toetsing en examinering bestaan.1 Cohen onderzocht in 1981 of dergelijke beginselen bij examinering een rol spelen. Examinering zou in de woorden van Cohen doordesemd moeten zijn van de volgende drie beginselen: zorgvuldigheid, gelijkheid en vertrouwen.2 Ook het motiveringsbeginsel is van belang. Strikte toepassing van dit beginsel is evenwel niet mogelijk volgens Cohen. Een examinator kan bijvoorbeeld geen waterdichte redenering opzetten waarom de cesuur op een bepaald aantal punten ligt of waarom de ene student wel slaagt en de andere niet. Het gebrek aan motivering wordt door Cohen gelegitimeerd door de autoriteit van de examinator. De examinator heeft dan ook een zekere mate van beleidsvrijheid. Ten slotte spelen volgens Cohen ook het verbod op détournement de pouvoir, het fair play-beginsel en het verbod op willekeur een beperkte rol. Naast de juridische beginselen van behoorlijke examinering ziet Cohen ook onderwijskundige beginselen, namelijk validiteit, betrouwbaarheid, profitability, aanvaardbaarheid en objectiviteit en kenbaarheid. Op deze onderwijskundige beginselen wordt niet nader ingegaan.
Huisman e.a. geven aan dat de algemene beginselen van behoorlijke examinering zowel zijn gegrondvest op onderwijskundige principes van goede toetsing als op meer juridische beginselen die raken aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.3 Zij maken daarnaast onderscheid tussen beginselen die van toepassing zijn op de beoordeling en beginselen die van toepassing zijn op de bejegening. In de eerste categorie vallen onderwijskundige eisen aan de inhoud van het tentamen en zorgvuldigheidseisen die spelen rondom het examen. De tweede categorie ziet op gelijke behandeling en bejegening van de leerling.
In zijn proefschrift over juridisch correct examineren ziet Van Berkel dat twee rechtsbeginselen in de praktijk een rol spelen bij examinering, namelijk het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.4 Een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft volgens hem evenwel weinig kans van slagen, aangezien niet vaak sprake is van (volledig) gelijke gevallen. Uit het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat de student moet weten waar hij aan toe is, bijvoorbeeld voor wat betreft de wijze van invullen van de antwoorden, het bepalen van de toetsuitslag, de toegestane hulpbronnen en fraude.