De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.5.1.4:4.5.1.4 De rol van de rechter
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.5.1.4
4.5.1.4 De rol van de rechter
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369714:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het rechtspersonenrecht werkt de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:8 BW. Die bepaling is vanaf de oprichting van toepassing op de rechtsverhoudingen binnen de deelrechtsorde.1 Het toepassen van art. 2:8 BW stelt de rechtsverhouding dus niet opnieuw vast, maar vormt een uitwerking van de toepasselijke regels voor een concreet geval.2 Een rechtelijke uitspraak is daarvoor in beginsel niet vereist.
Zonder rechterlijke uitspraak kan echter rechtsonzekerheid bestaan omtrent hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Met name indien sprake is van een geschil, zullen de bij de rechtspersoon betrokkenen een andere invulling (kunnen) geven aan de redelijkheid en billijkheid.3 Een rechtelijke uitspraak kan die onzekerheid wegnemen.
De wetgever faciliteert dit doordat besluiten die in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid door de rechter kunnen worden vernietigd. Voor een dergelijke vernietiging is een rechterlijke uitspraak wel constitutief. Een dergelijke vernietiging werkt erga omnes.4 Ook creëert het duidelijkheid voor de bij de organisatie van de rechtspersoon betrokkenen omtrent de geldigheid van een besluit en de toepasselijkheid van de uit dat besluit voortvloeiende regels van de deelrechtsorde. In par. 4.6.1 en 14.2.4.1 kom ik hier op terug.