Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.7:III.6.7 Conclusie deel III
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.7
III.6.7 Conclusie deel III
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625543:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:BI5402, BNB 1996/112; HR 5 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:BI5838, BNB 1998/8; HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8282, NJ 2004/487 (Boerenplaatsje).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelet op hetgeen ik in dit hoofdstuk heb opgemerkt, kan de conclusie worden getrokken dat het mogelijk is om de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk te maken van:
Een onzekere toekomstige gebeurtenis met een ontbindend of opschortend karakter. Ofwel van een (normale) ontbindende of opschortende voorwaarde.
Een zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde ofwel een ontbindende voorwaarde met zuiver wilsafhankelijke elementen. Bijvoorbeeld ‘tenzij mijn echtgenote dit niet wil’. Een dergelijke voorwaarde is in het gehele vermogensrecht toegestaan en wordt ook voor het erfrecht bevestigd in onder andere HR 17 januari 1996, BNB 1996/112 en HR 5 november 1997, BNB 1998/8 (voorwaardelijke ouderlijke boedelverdeling), evenals in HR 16 januari 2004, NJ 2004/487 (voorwaardelijke tweetrapsmaking, het zogenoemde ‘Boerenplaatsje-arrest’).1 Hierbij dient door degene van wiens wil de werking van de uiterste wilsbeschikking afhankelijk is gemaakt, evenwel gehandeld te worden met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid zodat willekeur wordt voorkomen. Voorts mag met de voorwaarde niet worden bewerkstelligd dat er op ontoelaatbare wijze (zie hiervoor het schema aan het slot van deel II van dit onderzoek) aan de inhoud van een uiterste wilsbeschikking kan worden geknutseld. Een beschikking als, bijvoorbeeld, ‘X is mijn erfgenaam, tenzij Y een andere erfgenaam wil’ is vanwege strijd met de woorden ‘daarbij aangewezen’ in art. 4:115 BW ongeoorloofd. Met een zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde mag anders gezegd niet in strijd worden gehandeld met de aard van de beschikking.
Een zogenoemde opschortende potestatieve voorwaarde, mits er gehandeld wordt met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid. Bijvoorbeeld ‘indien het X goeddunkt’. Is de verbintenis afhankelijk van het redelijk oordeel van degene die verbonden is (en dat zal naar mijn mening het geval moeten zijn gelet op het feit dat de redelijkheid en billijkheid via art. 6:2 BW in het verbintenissenrecht steeds een rol speelt), dan levert dit geen strijd op met het wezen van de verbintenis en is er evenmin sprake van willekeur. Bovendien dient er geen strijd te zijn met de aard van de desbetreffende beschikking doordat er bijvoorbeeld op ontoelaatbare wijze wordt geknutseld aan de inhoud van de uiterste wilsbeschikking (ik verwijs hiervoor wederom naar het schema aan het slot van deel II van dit onderzoek).
De wil van een derde resp. een persoon die niet bij een erfrechtelijke verbintenis verbonden is, voorzover deze wil is gevormd met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid, zodat willekeur wordt voorkomen, en er ook op geen andere wijze wordt gehandeld in strijd met de aard van de uiterste wilsbeschikking.
In paragraaf 5.3.3.3 wierp ik nog een vraag op met betrekking tot een legaat waarvan de werking afhankelijk is gemaakt van andermans wil. Ik gaf hierbij aan hierop terug te komen in dit hoofdstuk. Het betrof de vraag of het is toegestaan om het aan de echtgenote over te laten, dat zij kan bepalen of zij de waarde van hetgeen zij krachtens een legaat verkrijgt al dan niet in de nalatenschap inbrengt (vgl. Hof Amsterdam 21 juni 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR1599). Ofwel, anders gezegd, kan de echtgenote bepalen of er al dan niet een sublegaat is? Aan de hand van de zojuist getrokken conclusies is het mogelijk om deze vraag te beantwoorden.
Het is de erflater toegestaan om te bepalen dat de echtgenote de waarde van hetgeen zij krachtens legaat verkrijgt moet inbrengen in de nalatenschap (ofwel, er is een sublegaat), tenzij de echtgenote dit niet wil. Een dergelijk ontbindende voorwaarde is niet in strijd met het wezen van het sublegaat. Dit zou anders zijn indien erflater bepaalt dat er een sublegaat is, indien zijn echtgenote dit wil en de echtgenote hierbij niet handelt met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid. Er is dan immers sprake van een zogenoemde ontoelaatbare potestatieve voorwaarde. Aan de hand van de formuleringen in de uiterste wil en de interpretatie hiervan, evenals aan de hand van het handelen van de echtgenote, zal zodoende moeten worden beoordeeld of de delegatiebevoegdheid toelaatbaar is.
Om te kijken of de bovenstaande conclusies ook overeind blijven staan ten aanzien van in de praktijk en literatuur als geoorloofd aangemerkte wilsdelegatie ten aanzien van de werking van een uiterste wilsbeschikking, neem ik hierna, in paragraaf 6.8, tot slot de proef op de som. Ik bekijk in de paragrafen 6.8.1 t/m 6.8.3 drie testamentaire clausules waarvan de werking afhankelijk kan worden gemaakt van andermans wil. De laatste clausule (paragraaf 6.8.3) betreft overigens in essentie niet alleen wilsdelegatie ten aanzien van de werking van de uiterste wilsbeschikking, maar omvat ook wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking (zie deel II van dit onderzoek). Deze clausule vormt zo bezien het spreekwoordelijke neusje van de zalm: zij brengt het vraagstuk naar de grenzen van wilsdelegatie ten aanzien van de inhoud (deel II) en het vraagstuk naar de grenzen van wilsdelegatie ten aanzien van de werking (deel III) bijeen.