Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/10.2.2.6
10.2.2.6 Beperking tot een bepaalde partij
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS507163:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 maart 1997 (Mei j er/OTM), NJ 1998, 219, m.nt. HTS; vgl. MERKIN, 3.15-16 in dezelfde zin voor Engels recht: 'It was at one time believed that an arbitration clause, to be valid, had to confer mutual rights upon the parties to refer to arbitration (...). The positron established by Pittalis v. Sherefettin remains good law under the Arbitration Act 1996. It hos similarly been held in Australia that a clause which confers upon one party the right to initiate arbitration proceedings is an arbitration clause. [...] '.
Burg. Rv. (SNIJDERS), art. 1020, aant. 1; vgl. RAB 7 september 1993, BR 1993, blz. 924.
Zie E.H. HONDIUS, Tien jaar Arbitragewet en BW, TvA 1996, blz. 139 (met vermelding van literatuur in noot 7); vgl. thans nog art. 6:236 aanhef en sub n BW voor (o.a.) het bindend-adviesbeding in algemene voorwaarden.
Men ziet in de praktijk ook wel dat partijen overeenkomen dat één van de partijen de keuze wordt gelaten of zij het geschil aan het scheidsgerecht dan wel aan de gewone rechter voorlegt. Het beding is daarmee niet ongeldig en het is geenszins uitgesloten dat de bepaling letterlijk moet worden genomen.1
Verdedigd kan worden dat, als slechts één van de partijen de keuze heeft, het arbitraal beding in strijd komt met de eisen van redelijkheid en billijkheid als voor de keuze geen goede reden bestaat: "(...) dan is niet aangevoerd (...) dat een arbitraal beding dat voor een partij de gang naar de overheidsrechter zonder meer uitsluit maar haar wederpartij de keuze laat tussen scheidsgerecht en overheidsrechter, bijkomende omstandigheden daargelaten, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dit is spijtig. De "equality of arms" ontbreekt immers in zo'n geval en daar moet — zo laat zich verdedigen — wel een goede reden voor zijn. Zo'n reden kan gelegen zijn in de behoefte aan consumentenbescherming (vgl. ook art. 6:236, aanhef en sub n BW) (...), maar die is in deze zaak niet aan de orde."2
Zelf meen ik dat een arbitraal beding dat slechts één van de partijen een keuzerecht toekent niet zomaar in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zal komen (zie wel 10.4.5.4; noot 382). In de zaak Meij er/OTM hadden de kantonrechter en de rechtbank het in de tekst aan één van de partijen toekomende keuzerecht op grond van uitleg (dit mede op grond van de omstandigheden van het geval) juist aan beide partijen toegekend. De Hoge Raad daarentegen oordeelt de gegeven uitleg, gelet op de woorden van het arbitraal beding, onbegrijpelijk en beslist dat de tekst van het arbitraal beding slechts één uitleg toelaat, te weten dat slechts één van de partijen een keuzerecht toekomt. Ofschoon moet worden toegegeven dat in cassatie niet is verdedigd dat het eenzijdig keuzerecht zelf in strijd was met de eisen van redelijkheid en billijkheid, lijkt het onwaarschijnlijk dat de Hoge Raad — als hij meende dat een dergelijk beding, hetzij op zich zelf genomen, hetzij (mede) op grond van de omstandigheden van het geval, in strijd kon zijn met de redelijkheid en billijkheid — zo in algemene termen overweegt dat het arbitraal beding dat een eenzijdig keuzerecht behelst slechts één uitleg toeliet en wel die waarbij dit eenzijdig keuzerecht in stand bleef. Hierbij zij bedacht dat de mogelijkheden van toetsing van de uitleg van overeenkomsten in cassatie uiterst beperkt zijn en dat de Hoge Raad desgewenst minder ver had kunnen gaan.3 Ten slotte verdient opmerking dat in cassatie wel degelijk was verdedigd dat het arbitraal beding wegens de hoge kosten van arbitrage in het algemeen alsmede wegens de onnodige inschakeling van arbiters voor een eenvoudige vordering van gering belang in strijd was met redelijkheid en billijkheid. Kon dit niet zo worden uitgelegd dat de desbetreffende partij ook de keuze wilde hebben tussen arbitrage en gewone rechtspraak, dit omdat arbitrage bij een eenvoudige vordering van gering belang hogere kosten met zich brengt dan gewone rechtspraak (een (van de) reden(en) waarom de wederpartij in het arbitraal beding waarschijnlijk het keuzerecht was toegekend)?
Als een partij de keuze heeft tussen arbitrage en de gewone rechter, moet de keuze voor arbitrage volgens de overeenkomst tussen partijen soms binnen een bepaalde termijn worden gemaakt.4 Ook dit lijkt mij toegestaan. In consumentenzaken was een dergelijk arbitraal beding overigens welhaast het enig wettelijk geoorloofde. Aanvankelijk bestond namelijk het voorstel om het arbitraal beding in art. 6:236 aanhef en sub n BW als onredelijk bezwarend beding aan te merken als het de consument niet een termijn gunde — van tenminste een maand nadat de gebruiker (i.e. de professionele wederpartij) zich op het beding had beroepen — om voor de gewone rechter te kiezen.5