Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/8.3
8.3 Kan de Rente- en royaltyrichtlijn de toepassing van de Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie verhinderen?
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300822:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie punt 4 van de preambule van de Rente- en royaltyrichtlijn. Overigens beoogt de Rente- en royaltyrichtlijn ook een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale uitkeringen van royalty’s. Omdat royalty’s voor dit onderzoek niet van belang zijn, worden zij verder buiten beschouwing gelaten.
Uitkeringen worden geacht in een lidstaat te ontstaan wanneer zij worden uitbetaald door een onderneming van een lidstaat of een in die lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een andere lidstaat. Een vaste inrichting wordt op grond van art. 1, lid 3, Rente- en royaltyrichtlijn alleen als uitbetaler van de rente behandeld als de rente voor de vaste inrichting in de bronstaat aftrekbaar is.
Art. 1 van de Rente- en royaltyrichtlijn stelt de rente die is ontstaan in een lidstaat vrij van alle belastingen in die staat wanneer een onderneming van een andere lidstaat de uiteindelijke gerechtigde tot de rente is. De vrijstelling is eveneens van toepassing wanneer een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat de uiteindelijke gerechtigde tot de rente is.
Vooralsnog schaft de richtlijn deze belasting slechts af voor uitkeringen van interest tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten en tussen vaste inrichtingen van deze ondernemingen. Uiterlijk in 2006 zal worden bezien of de werkingssfeer van de richtlijn moet worden uitgebreid. Zie punt 9 van de preambule en art. 8 van de Rente- en royalty-richtlijn.
Op 30 december 2003 heeft de Commissie een voorstel ingediend tot wijziging van de Rente- en royaltyrichtlijn. Zie COM (2003/841). Daarin wordt onder meer voorgesteld om in art. 1 de aanvullende eis op te nemen dat de uiteindelijke gerechtigde tot de rente effectief moet zijn onderworpen aan een belasting over de rente.
D. Weber, ‘The proposed EC Interest and Royalty Directive’, EC Tax Review 2000/1, p. 26/27 en D.M. Weber, ‘Debt-equity ratio om thin capitalisation problemen te voorkomen?’, WFR 2003/6518, p. 315-316.
In dezelfde zin R.P.W.M. Brandsma, Fiscale onderkapitalisatie van vennootschappen, FM nr. 111, Deventer: Kluwer 2004, p. 127.
De Rente- en royaltyrichtlijn beoogt een gelijke fiscale behandeling van nationale en transnationale uitkeringen van interest.1 De richtlijn wil dit doel bereiken door de belasting op uitkeringen van interest in de lidstaat waar zij ontstaan2 af te schaffen3 (de lidstaat waar de interest ontstaat wordt hierna aangeduid als ‘de bronstaat’).4, 5
Art. 1 bepaalt voor zover relevant: ‘Uitkeringen van interest (...) die ontstaan in een lidstaat, worden vrijgesteld van alle belastingen in die bronstaat (door inhouding dan wel door aanslag) (...).’ Wanneer een bronstaat de aftrek van de rente weigert, wordt in feite vennootschapsbelasting geheven over de rente. Volgens Weber is het denkbaar dat de vennootschapsbelasting over de rente in dat geval is te beschouwen als een belasting door aanslag als bedoeld in art. 1, lid 1, van de richtlijn. De richtlijn zou dan in de weg kunnen staan aan een bepaling die de aftrek van de rente verbiedt voor zover een vaste verhouding tussen het eigen en het vreemd vermogen wordt overschreden.6 Hier valt echter tegen in te brengen dat de vennootschapsbelasting geen belasting is op de rente maar een belasting op de winst.
In de tweede plaats zou het volgens Weber verdedigbaar zijn om uit art.1, lid 3, Rente- en royaltyrichtlijn af te leiden dat de richtlijn uitgaat van een systeem waarin de rente aftrekbaar is bij de debiteur en belast bij de crediteur. Daar is namelijk bepaald dat een vaste inrichting alleen als uitbetaler van de rente wordt beschouwd als de rente in het bronland aftrekbaar is. Naar het mij voorkomt, bevat art. 1, lid 3, van de richtlijn evenwel niet het beginsel dat de rente aftrekbaar hoort te zijn. Er staat naar mijn mening niet meer dan dat een vaste inrichting alleen als uitbetaler van de rente wordt behandeld voorzover de rente in de bronstaat in aftrek komt.7 Bovendien blijkt uit art. 4, lid 2, Moeder-dochterrichtlijn dat een dergelijk beginsel niet bestaat. In deze bepaling is namelijk geregeld dat de lidstaten bevoegd blijven om te bepalen dat lasten (waaronder de rente) die betrekking hebben op een deelneming niet aftrekbaar zijn van de belastbare winst van de moedermaatschappij. De Rente- en royaltyrichtlijn kan daarom, naar het mij voorkomt, niet in de weg staan aan de toepassing van art. 10d Wet VPB 1969.