Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/9.4.1
9.4.1 De externe aansprakelijkheidsnorm voor bestuurders
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS386324:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen).
Van Schilfgaarde e.a. 2013, p. 191.
HR 6 oktober 1989, NJ 1990, 286, m.nt. Maeijer (Beklamel).
HR 3 april 1992, NJ 1992, 411, m.nt. Maeijer (Van Waning/Van der Vliet).
HR 23 november 2012, NJ 2013, 302, m.nt. Van Schilfgaarde (Spaanse villa) en HR 5 september 2014, NJ 2015, 21, m.nt. Van Schilfgaarde (Tulip Air).
HR 6 april 1979, NJ 1980, 34, m.nt. Brunner (Kleuterschool Babbel).
Brunner in zijn noot onder HR 6 april 1979, NJ 1980, 34, m.nt. Brunner (Kleuterschool Babbel).
HR 2 februari 1990, LJN AB7889, NJ 1990/384.
Uit de jurisprudentie volgt dat een bestuurder van een BV in een tweetal situaties persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld naast de vennootschap jegens derden op grond van artikel 6:162 BW.1 Dit kan zich allereerst voordoen wanneer de bestuurder de vennootschap te lichtvaardig heeft verbonden.2 De bestuurder is in een dergelijke situatie aansprakelijk wanneer hij, bij het namens de BV aangaan van verbintenissen, wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de BV niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (de zogenaamde Beklamelnorm).3
De tweede situatie is die waarin de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de BV haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. De bestuurder is in een dergelijke situatie aansprakelijk wanneer het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig was dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.4
Het is echter ook mogelijk dat een bestuurder van een BV niet op grond van zijn tekortschietende of onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder, maar op grond van handelen in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsverplichting aansprakelijk wordt gehouden jegens een derde. In een dergelijk geval gelden volgens de Hoge Raad ‘de gewone regels van onrechtmatige daad’, als gevolg waarvan niet vereist is dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.5 Het is dan niet de vennootschap, maar de bestuurder persoonlijk die aansprakelijk wordt gehouden. Wel is het mogelijk dat de onrechtmatige daad van de bestuurder aan de BV wordt toegerekend indien de betreffende gedraging in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de BV heeft te gelden.6 Brunner merkt in zijn noot op dat volgens hem als daden van de vennootschap die handelingen van betrokkenen te beschouwen zijn, waardoor de rechtspersoon zelf naar buiten treedt.7 In een later arrest verduidelijkt de Hoge Raad wanneer sprake is van een gedraging die in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de vennootschap heeft te gelden. Bij de beantwoording van de vraag of dit het geval is, zal onder andere moeten worden gelet op de plaats van de betrokken bestuurder in de organisatie van de vennootschap en de omstandigheden waaronder het in geschil zijnde handelen heeft plaats gevonden, aldus de Hoge Raad.8 In het arrest Provincie Gelderland/Vitesse herhaalt de Hoge Raad zijn standpunt nogmaals.9 Een en ander kan in het volgende schema worden samengevat: