Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.11:7.11 Conclusie
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.11
7.11 Conclusie
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403518:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Achter de term piercing the corporate veil blijkt een welhaast ondoordringbaar moeras schuil te gaan van gerechtelijke uitspraken inzake de aansprakelijkheid van aandeelhouders jegens de crediteuren van de vennootschap. Door het gebruik van metaforen en ongewogen waslijsten van relevante omstandigheden ontnemen veel Amerikaanse rechters het zicht op de daadwerkelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan hun oordeel om wel of niet tot veil piercing over te gaan. Wél is duidelijk dat in veel zaken waarin doorbraak plaatsvindt, rechters overwegen dat de vennootschap was ondergekapitaliseerd. Hoewel een eenduidige definitie van dat begrip ontbreekt, lijkt een meerderheid van de rechters daarmee te verwijzen naar het gegeven dat de vennootschap ten tijde van oprichting financieel niet adequaat was uitgerust om de redelijkerwijs voorzienbare risico’s te dragen. Het in de rechtseconomische literatuur bepleitte onderscheid tussen aansprakelijkheid jegens contractuele crediteuren en jegens onvrijwillige crediteuren, wordt door de rechters slechts in beperkte mate aangelegd. In nagenoeg alle Amerikaanse jurisdicties wordt onderkapitalisatie als onvoldoende beschouwd om zelfstandig, zonder bijkomende factoren, een doorbraak te rechtvaardigen. Een bijkomende factor kan bijvoorbeeld bestaan uit vermogensonttrekkingen op het moment dat de financiële positie van de vennootschap deze niet toeliet.