Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/20.2.2:20.2.2 Aandeelhoudersleningen en betrokkenheid van professionele crediteuren
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/20.2.2
20.2.2 Aandeelhoudersleningen en betrokkenheid van professionele crediteuren
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403533:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als de vennootschap een beroep doet op een professionele kredietverstrekker, zal de vrijheid van de aandeelhouder om leningen aan de vennootschap te verstrekken en daarvoor zekerheden te verkrijgen, beperkt zijn. Banken eisen bijna altijd dat door aandeelhouders verstrekte leningen contractueel worden achtergesteld bij de bankfinanciering, en bedingen regelmatig dat op de aandeelhouderslening pas mag worden afgelost nadat het krediet aan de bank is terugbetaald, althans dat daarvoor toestemming van de bank verkregen is.1 Hierdoor vertoont de aandeelhouderslening vanuit het perspectief van de bank een hoge mate van gelijkenis met risicodragend kapitaal. Hoewel de bank achtergestelde aandeelhoudersleningen daarom pleegt te rekenen tot het ‘garantievermogen’ van de vennootschap, zij men erop bedacht dat vanuit het perspectief van de vennootschap en haar overige crediteuren geenszins sprake is van risicodragend vermogen.2 Tenzij een ‘generieke achterstelling’ wordt overeengekomen, vormt de aandeelhouderslening ten opzichte van de overige crediteuren een concurrente vordering. Daarnaast staat tegenover een aandeelhouderslening de verplichting om deze op termijn weer terug te betalen; deze verplichting geldt niet bij financiering met eigen vermogen. Een ander kenmerk van eigen vermogen is dat daarover alleen een vergoeding hoeft te worden betaald als de vermogenspositie van de vennootschap het de aandeelhouders toestaat tot een dividenduitkering te besluiten.3 Over een aandeelhouderslening is de vennootschap echter (doorgaans) periodiek een gefixeerde (rente)vergoeding verschuldigd, ongeacht de vermogenspositie van de vennootschap. Ook als de rente niet betaalbaar wordt gesteld, maar wordt bijgeschreven op de hoofdsom, leidt financiering met aandeelhoudersleningen tot een uitholling van de solvabiliteit van de vennootschap. Omdat in dat geval rente over de bijgeschreven rente moet worden betaald, stijgen de financieringslasten van de vennootschap gedurende de looptijd van de lening.4