Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/6.4.2
6.4.2 Directe, indirecte en subsidiaire financiering
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652379:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Boom & Luiten 2015, p. 188. Zie over third party litigation funding bijv. ook Van Boom 2017; Luiten 2017. Zie verder par. 6.5.2.5.
Daarvoor hoeft niet noodzakelijk reeds een vereffening te hebben plaatsgevonden, wanneer de rechtspersoon is ontbonden door opheffing van een faillissement wegens een gebrek aan baten, zoals in HR 11 oktober 1991 (r.o. 3.2), NJ 1992/132, m.nt. J.M.M. Maeijer (Bouwbedrijf Vianen) of indien de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan omdat hij op het moment van ontbinding geen baten meer heeft, zie art. 2:19 lid 4 en lid 5 BW.
De betrokkenheid van een ander dan de rechtspersoon bij de financiering van de kosten van de enquêteprocedure kan direct of indirect zijn. Ik spreek van directe financiering indien deze financier zekerheid stelt en betalingen verricht rechtstreeks aan de onderzoeker en/of OK-functionarissen. De rechtspersoon vervult hierin in beginsel geen rol.
Van directe financiering onderscheid ik indirecte financiering. Onder indirecte financiering versta ik financiering aan de rechtspersoon of directe financier, die met behulp van deze financiering de kosten van de enquêteprocedure financiert.
Indirecte financiering voltrekt zich in beginsel buiten de werking van het enquêterecht. De directe financier treedt (naar buiten toe) op als financier van de kosten van de enquêteprocedure. De indirecte financier komt in dat geval ook geen rechtstreekse vordering toe voor de kosten van het onderzoek uit hoofde van art. 2:354 BW. Kostenverhaal op grond van art. 2:354 BW kan wel als financieringsvoorwaarde worden overeengekomen, waarover par. 6.4.6.4.
Verschillende partijen kunnen optreden als indirecte financier. Een indirecte financier kan bijvoorbeeld een van de crediteuren in het faillissement (par. 6.7.4), een andere concernvennootschap (par. 6.3.2 en par. 6.3.3), of een commerciële financier (third party litigation funder) zijn: een partij die de financiering van juridische procedures tot zijn verdienmodel heeft gemaakt, veelal een professionele, internationaal opererende investeringsmaatschappij of aan de verzekeringsindustrie gelieerde financieringsmaatschappij.1
Vindt indirecte financiering plaats aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan,2 dan kan de vereffening van die rechtspersoon mogelijk worden heropend op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. In dat geval kan immers blijken van het bestaan van een bate – de door de indirecte financier verstrekte financiering.
Zowel directe als indirecte financiering kan bovendien subsidiair zijn: de financier zegt dan toe slechts de kosten van de enquêteprocedure te financieren, wanneer een ander – veelal de rechtspersoon, althans de curator – daar niet toe overgaat. De enquêteverzoeker kan bijvoorbeeld slechts bereid zijn de kosten van de enquêteprocedure vrijwillig te financieren, indien en voor zover de curator daartoe niet bereid is (par. 6.5.4).