Gewogen rechtsmacht in het IPR
Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.5.4:6.5.4 Kinderontvoering; art. 10 Vo-BIIbis
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.5.4
6.5.4 Kinderontvoering; art. 10 Vo-BIIbis
Documentgegevens:
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS432989:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit begrip wordt gedefineerd in art. 2 lid 11 Vo-BlIbis (vgl. art. 7 HKbV 1996).
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage 25 oktober 1980, Trb. 1987, 139.
Zie over art. 10 Vo-BlIbis: Practice Guide, p. 28-41; M.T. Rauscher, The European Legal Forum 2005, p. 42-44; Personen- en familierecht, Th.M. de Boer, Titel 14 Kinderbescherming en gezagsvoorziening in het ipr, A. Brussel art. 10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor gevallen van 'ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind' 1 maakt art. 10 Vo-Bi:Ibis een uitzondering op de hoofdregel van art. 8 lid 1. Indien sprake is van ontvoering blijven de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ontvoering of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en de drager van het gezagsrecht hierin heeft berust of het kind gedurende één jaar lang in de andere lidstaat heeft verbleven en in zijn nieuwe omgeving is geworteld. In het laatste geval is vereist dat een van de in art. 10 sub b, onder i-iv genoemde gevallen zich voordoet.
Zolang het gerecht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ontvoering of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had krachtens art. 10 rechtsmacht behoudt, kan het gerecht van de lidstaat waar het kind na de overbrenging verblijft geen bevoegdheid ontlenen aan art. 8 lid 1. Aangezien voor Nederland sinds 1 september 1990 het Haagse Kinderontvoeringsverdrag 19802 geldt, kunnen zich vragen van samenloop met de Vo-Brussel Bbis voordoen. Art. 60 Vo-BIlbis geeft hiervoor een samenloopregeling, die er kort gezegd op neerkomt dat voor de onderwerpen die in de verordening zijn geregeld, in de betrekkingen tussen de lidstaten de verordening voorrang heeft boven het verdrag.3