Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/2.2
2.2 De achtergrond
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS379428:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.1.2.1.
Zie § 3.1.2.3.
Commissie Verdam (1964), p. 13.
Commissie Verdam (1964), p. 64-68.
SER-advies 1967/5, p. 5-6.
Kamerstukken II 1967-1968, 9596, nr. 3 (MvT), p. 4.
Zie ook § 3.1.2.3.
Wet van 8 november 1993, Stb. 1993, 597.
Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête (aanvullingswet) van 8 november 1993, Stb. 1993, 597, in werking getreden op 1 januari 1994.
Zie § 3.1.2.4 en § 9.2.4.
Rapport Cools/Kroeze (2009), p. 56-60, 64-66, 69-71, 79, 80. In de periode 2008-2012 en 2013-2016 zijn de meeste eerste fase verzoeken ook afkomstig van de kapitaalverschaffers (veelal de aandeelhouders), zie Rapport Lafarre/Schippers/Van den Bosch/Van der Elst/Van der Sangen (2018), p. 64.
Zie § 3.1.2.5-3.1.2.8.
Art. 2:346 lid 1 sub d en lid 2 BW.
Zie hoofdstuk 7.
De idee van een gerechtelijk onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap ontstaat aan het einde van de 19e eeuw. Dit gerechtelijk onderzoek werd destijds in het leven geroepen met het oog op het belang dat aandeelhouders hebben bij goed beheer van de vennootschap. De invoering van de wettelijke enquêteregeling in 1928 had vooral als doel de minderheidsaandeelhouders te beschermen tegen een gebrek aan openheid en een onbevredigende gang van zaken. De regeling moest de positie van de minderaandeelhouders versterken ten opzichte van de willekeur van de meerderheid. Het diende als een correctiemiddel op machtsmisbruik. Het gerechtelijk onderzoek was naar zijn aard gericht op het verkrijgen van informatie en openheid van zaken. Tevens moest het rechtsmiddel krachtig preventief werken ten behoeve van de aandeelhouders. De procedure werd in de praktijk echter nauwelijks gebruikt.1
In 1971 wordt het enquêterecht herzien. De aanzet tot deze wetswijziging vormen het rapport van de Commissie Verdam en een SER-advies.2 De Commissie Verdam meent dat het op de weg van de wetgever ligt om de belangen van de aandeelhouders beter te beschermen, met name op het gebied van de voorlichting en het keren van misstanden.3 De Commissie Verdam acht het wenselijk:
“dat de wet de weg opent tot een bevredigende oplossing voor het geval dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan het beleid in een onderneming.”
De Commissie Verdam bepleit om het enquêterecht effectiever te maken:
“Zij [de commissie] acht de bescherming van de kapitaalverschaffers en van de werknemers tegen onjuist beleid echter een zaak van zo groot gewicht, dat zij een aantal belangrijke wijzigingen voorstelt, die de strekking hebben de effectiviteit van de regeling te vergroten en haar daardoor voor de praktijk beter toepasselijk te maken.”
In dat kader stelt de Commissie Verdam voor dat ook de certificaathouders (die net als aandeelhouders risicodragend kapitaal verschaffen), werknemers (vertegenwoordigd door erkende centrale werknemersorganisaties) en het openbaar ministerie (om redenen van openbaar belang) om een onderzoek moeten kunnen vragen.4
De SER ziet in het geheel van deze voorstellen een adequate neerslag van de ontwikkeling van opvattingen en behoeften in het bedrijfsleven op dit punt.5 Daarbij ondersteunt de SER de strekking dat het enquêterecht de belanghebbenden bij de onderneming moet beschermen:
“Ervan uitgaande dat het gehele wetsontwerp-Verdam erop gericht is aan de diverse groepen van bij de onderneming belanghebbenden een grotere bescherming te bieden, meent dit deel van de Raad dat erop mag worden vertrouwd dat de Ondernemingskamer bij de overweging wie van een verslag kennis zullen mogen nemen, eigener beweging zoveel mogelijk recht zal doen aan alle belanghebbenden, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat de belangen van de onderneming – en daarmede ook die van de belanghebbenden – door het bekend worden van het verslag ernstig kunnen worden benadeeld.”
Ook de minister begrijpt dat als gevolg van de veranderde inzichten tot het functioneren van de onderneming, de kring van enquêtegerechtigden dient te worden uitgebreid. Hij neemt alle voorstellen inzake de verruiming van de mogelijkheid tot het instellen van een enquête geheel over in het wetsontwerp.6 Over de strekking dat het enquêterecht de belanghebbenden bij de onderneming moet beschermen, bevat de memorie van toelichting de volgende passages:
“In ons economisch stelsel waarin de produktie in hoofdzaak in particuliere ondernemingen geschiedt, heeft de ondernemer behoefte aan een grote mate van vrijheid (…). Een hoge mate van vrijheid vereist een hoge mate van verantwoordelijkheidsgevoel tegenover degenen die hun arbeidskracht of vermogen voor het produktieproces in de onderneming beschikbaar stellen [onderstreping, KS]. Mag men aannemen dat in het algemeen de Nederlandse ondernemer deze verantwoordelijkheid juist aanvoelt, dit neemt niet weg, dat een rechtsorde die aan onze economische orde beantwoordt, de mogelijkheid tot opening van zaken moet verschaffen, wanneer twijfel aan het beleid in een onderneming rijst, en de mogelijkheid tot correctie, wanneer die twijfel gegrond blijkt. Een zodanige waarborg is gelegen in de toepassing van het zgn. enquêterecht, waarvan het onderhavige wetsontwerp een betere regeling beoogt.”
“Met het opnemen van het enquêterecht in de wettelijke bepalingen omtrent de naamloze vennootschap van 1928 was in de eerste plaats bedoeld een minderheid van aandeelhouders (in het bijzonder in een vennootschap met aandelen aan toonder) te beschermen tegen een gebrek aan openheid en een onbevredigende gang van zaken. (…). De wet voorziet in waarborgen tegen misbruik van het recht der minderheid: (…). Aldus komt tot uitdrukking dat het enquêterecht is „een zeer bijzondere bevoegdheid, welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben" [onderstreping, KS] (antwoord op het verslag van de Commissie van Voorbereiding inzake de Wet tot wijziging van de zesde titel, eerste Boek van het Wetboek van Koophandel, blz. 63). Immers, door het aanvragen en instellen van een enquête wordt een vennootschap in opspraak gebracht, hetgeen voor haar in het maatschappelijk verkeer onaangename consequenties kan hebben, zelfs wanneer het onderzoek niet tot een ongunstige conclusie omtrent het gevoerde beleid aanleiding geeft [onderstreping, KS].”7
De betekenis van het enquêterecht is in 1971 aldus in een breder perspectief geplaatst. De wetswijziging berust vooral op het streven naar meer openheid van zaken en het afleggen van verantwoording ter bescherming van de kapitaalverschaffers. Het gaat niet alleen om de opening van zaken, maar ook om de sanering en het herstel van de goede verhoudingen binnen de vennootschap, mede met het oog op de belangen van degenen die hun vermogen of arbeidskracht beschikbaar stellen.8
Tevens wordt erkend dat een enquête bezwaarlijk is voor een vennootschap wanneer zij ‘in opspraak wordt gebracht’. Naast de publicitaire gevolgen valt te denken aan de kosten, het tijdsbeslag en de impact op de besluitvorming en de bedrijfsvoering. De toegang tot het enquêterecht is daarom begrensd.
Het enquêterecht wijzigt in 1994 opnieuw.9 De belangrijkste aanpassing betreft de invoering van de mogelijk tot het treffen van een onmiddellijke voorziening.10 De wetswijziging behelst geen aanpassingen met betrekking tot de toegang tot het enquêterecht.11 Met de introductie van de onmiddellijke voorzieningen neemt de populariteit van de enquêteprocedure sterk toe. Uit empirisch onderzoek (over de periode 1994-2007) blijkt dat de meeste eerste en tweede fase verzoeken alsmede de verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen afkomstig zijn van de kapitaalverschaffers.12
De toename van het gebruik van de enquêteprocedure door de kapitaalverschaffers vormt een van de redenen voor de herziening van het enquêterecht in 2013. Bij deze wetswijziging is er meer aandacht voor een afweging van de belangen van de vennootschap ten opzichte van de belangen van de kapitaalverschaffers. Een directe aanleiding daarvoor zijn een aantal spraakmakende zaken waarin activistische aandeelhouders via het enquêterecht hun stem binnen de vennootschap laten gelden. De wijziging van de kapitaalseisen in 2013 beoogt derhalve meer nadruk te leggen op het uitgangspunt dat slechts aandeelhouders die een substantieel belang in de vennootschap vertegenwoordigen een enquêteverzoek kunnen indienen.13
De sanering van de verhoudingen, de openheid van zaken, de vaststelling van verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid en een zekere preventieve werking dienen uiteraard niet alleen het belang van de kapitaalverschaffers en werknemers, maar ook dat van de vennootschap zelf. Mogelijk wanbeleid is immers een conditie die met name de vennootschap aangaat. Mede in dat licht is bij de wetswijziging van 2013 het enquêterecht aan de vennootschap toegekend, daarbij vertegenwoordigd door het bestuur of de raad van commissarissen.14 De vennootschap kan op grond daarvan zelf een enquête verzoeken naar de gedragingen van bijvoorbeeld aandeelhouders of het (voormalig) bestuur.15