Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.5
3.3.5 Positie van de rechter-commissaris
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702070:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wijting poneert zelfs dat Thorbecke, indien mogelijk, het liefst had gezien dat de gehele rechtbank ter descente aanwezig was geweest. Wijting 1984, p. 269.
Thorbecke 1880, p. 174.
Zie reeds Kruseman, W. 1920/10509.
Wijting 1984, p. 274.
Voor een vroege uitzondering: HR 29 mei 1865, W. 1865, 2697 (De Rijk/Limburg).
Zie ook: Verpaalen, De Pacht 1967, nr. 3/4, p. 1-60; Wijting 1984, p. 286-297.
Uitgebreid: Van der Gouw & Sluysmans 2015, § 4.13.4; Den Drijver-Van Rijckevorsel e.a. 2013, § 3.18.
Sluysmans, Van der Gouw & Bosma 2011, § 2.3.7; Van der Schans & Van Heesbeen 2011, p. 45-47.
Deze buitenwettelijke manier van werken komt tegemoet aan de behoeft van betrokken partijen. Met name de informele wijze van communicatie, zie: Van der Gouw & Sluysmans 2015, § 4.14. Uitgebreid: § 2.2.5.
“De regtercommissaris brengt de bepalingen dezer wet omtrent de begrooting der schadeloosstelling, (…) onder de aandacht der deskundigen.”
Aldus artikel 29 lid 2 onteigeningswet. Uit dat wetsartikel blijkt de voorname positie die Thorbecke voor de rechter-commissaris had voorzien. In de visie van Thorbecke is dat volledig verklaarbaar. Als gezegd, zag hij de deskundigen voornamelijk als “meetkundige instrumenten”. Hij hield er zelfs rekening mee zij niet eens hun handtekening konden plaatsen, laat staan, konden lezen en schrijven.1 Thorbecke voorzag dan ook een rol voor de rechter-commissaris als verlengstuk van de bodemrechter ter plaatse.2 Een figuur die leidt en regisseert. 3Een figuur die bovenal de deskundigen bij de hand neemt en hen de rechtens relevante schadeposten voorhoudt.
Het mag inmiddels duidelijk zijn dat de praktijk zich heel anders heeft ontwikkeld. Sinds de Hoge Raad de figuur van de volledige schadeloosstelling in het onteigeningsrecht heeft geïntroduceerd, heeft de rechter-commissaris aan belang ingeboet. 4De oorzaken daarvan liggen in de hierboven beschreven opmars en professionalisering van de onteigeningsdeskundige. Aan het woord laat ik wederom Wijting:
“Wat te denken van deze situatie? De oude wettelijke partituur is nog steeds aanwezig doch de bij het onteigeningsconcert betrokken orkestpartijen letten niet op de dirigent [lees: de rechter-commissaris – SS] doch op een drietal concertmeesters [lees: de deskundigen – SS]. In de ouverture voor het eindvonnis staat de dirigerende rechter-commissaris zonder stok en dus met lege handen want zijn partituur vermeldt niet meer dan de mededeling, dat partijen verschillen over de hoogte der bedragen.”5
Het schadeloosstellingsrecht werd steeds meer het kennisdomein van de deskundigen. Zij waren bij uitstek getraind in het toepassing geven van de gestaag uitdijende rechtspraak van de Hoge Raad. De hierboven aangehaalde wettelijke regel, dat de rechter-commissaris de deskundigen de rechtsregels voorhoudt, was niet langer een goede afspiegeling van de werkelijkheid.
Van een leidende en regisserende rechter-commissaris zoals in de wet voorzien, is niet heel veel overgebleven. 6Zulks blijkt bijvoorbeeld bij de descente. 7Het systeem zoals Thorbecke dat had bedacht waarbij onder leiding van de rechter-commissaris de te onteigenen goederen in loco werden getaxeerd, komt in de praktijk niet meer voor. Dat is ook niet goed voorstelbaar met een gecompliceerd materieel schadeloosstellingsrecht. Ook art. 30 Ow, welk artikel ervan uitgaat dat partijen de rechter-commissaris inlichten over alle relevante feiten en omstandigheden, ziet er in de praktijk anders uit. Het is partijen en hun advocaten tijdens de descente vooral te doen om de deskundigen naar hun kant te bewegen. Uit hun handen komt immers het rapport dat van groot belang is voor het uiteindelijke oordeel van de rechter. Tot slot wijs ik nog op art. 31 Ow. Dat artikel biedt de rechter-commissaris de mogelijkheid om ambtshalve allerlei personen voor zich te laten verschijnen met als doel een betere beoordeling van de zaak. In de huidige praktijk wordt daar niet of nauwelijks gebruik van gemaakt.8 De descente blijft het voornaamste procesmoment in de onteigeningsprocedure, doch op een ander wijze dan door het wettelijke systeem voorzien.9
Ook bij de gang van zaken na afloop van de descente is zichtbaar dat de taak van de rechter-commissaris minder groot is dan door Thorbecke bedacht. Zo vindt er niet langer een bezwaarschriftprocedure plaats ten overstaan van de rechter-commissaris ex art. 36 lid 3 Ow. Veeleer wordt er gewerkt met een systeem van concept en definitieve deskundigenrapportages.10