Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/8.8.1
8.8.1 Een crediteur heeft geen recht op een vervangende waarborg als hij voldoende andere waarborgen heeft
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250370:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ten Voorde 2006, p. 143. Ervan uitgaande dat de aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring alle schulden omvat die voortvloeien en zijn voortgevloeid uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht. Zie § 5.6.
Beckman – Compendium jaarrekening, § 3.8.6.c.
Rb. Midden-Nederland 5 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5519 (Curatoren/SNS), r.o. 2.2-2.3 en Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7, m.nt. Bartman (Curatoren/SNS), r.o. 3.25 en 3.38-3.39.
Zie Rb. Rotterdam 29 september 2015, JOR 2015/295, m.nt. Bartman (Iemants/Hertel Beheer), r.o. 4.12, waar de rechtbank oordeelt dat het feit dat de ultimate beneficial owners van de 403-maatschappij kapitaalkrachtig zijn en eerder een kapitaalstorting ten behoeve van de moedermaatschappij hebben gedaan, op zichzelf onvoldoende waarborg biedt. Zie ook Rb. Midden-Nederland 7 mei 2014, JOR 2014/260, m.nt. Harmsen (Curatoren/SNS), r.o. 3.18 en Hof Amsterdam (OK) 9 december 2015, JOR 2016/7, m.nt. Bartman (Curatoren/SNS), r.o. 3.25, dat de verwachting dat de Nederlandse Staat wegens macro-economische redenen 403-maatschappij SNS Bank niet failliet zal laten gaan, onvoldoende waarborg biedt.
Een crediteur die verzet instelt tegen het voornemen van de moedermaatschappij om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen, kan een vervangende waarborg verlangen voor de voldoening van zijn vordering op de 403-maatschappij. Op grond van art. 2:404 lid 4 BW heeft de crediteur geen recht op een vervangende waarborg als hij na de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid voldoende (andere) waarborgen heeft, uit hoofde van de vermogenstoestand van de 403-maatschappij of uit anderen hoofde, dat zijn vordering op de 403-maatschappij zal worden voldaan. Van een waarborg uit anderen hoofde is bijvoorbeeld sprake als de crediteur een recht van pand of hypotheek heeft tot zekerheid van nakoming van de vordering of als een andere rechtspersoon – die de aandelen in de 403-maatschappij heeft overgenomen van de moedermaatschappij – zich ook door middel van een 403-verklaring aansprakelijk heeft gesteld voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen van de 403-maatschappij.1
Welke waarborg de vermogenstoestand van de 403-maatschappij biedt dat de vordering van de crediteur zal worden voldaan, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.2 In de jurisprudentie is onder meer gewezen op het eigen vermogen, de liquiditeit en de solvabiliteit van de 403-maatschappij.3 Daarnaast is niet alleen de huidige vermogenstoestand van de 403-maatschappij van belang, maar spelen ook de te verwachten toekomstige ontwikkelingen een rol. Tot slot moeten eventuele toezeggingen of verwachtingen dat de 403-maatschappij in de toekomst financieel ondersteund zal worden, voldoende concreet zijn.4