Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/169
169 Objectief en subjectief element
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS506464:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook R. de la Feria, ‘Prohibition of abuse of (community) law – The creation of a new general principle of EC law through tax’, CMLR 2008, p. 410.
In dezelfde zin L.M. Baudenbacher, ‘Überlegungen zum Verbot des Rechtsmissbrauchs im Europäischen Gemeinschaftsrecht’, ZfRV 2008, p. 215.
Zie bijvoorbeeld het hierna te bespreken arrest HvJEG 21 februari 2006, zaak C-255/02, Jur. 2006, p. I-01609 (Halifax), r.o. 86.
Onder meer R. de la Feria, ‘Prohibition of abuse of (community) law – The creation of a new general principle of EC law through tax’, CMLR 2008, p. 410 en L..M. Baudenbacher, ‘Überlegungen zum Verbot des Rechtsmissbrauchs im Europäischen Gemeinschaftsrecht’, ZfRV 2008, p. 215.
Om misbruik van unierecht aan te kunnen nemen dient voldaan te zijn aan zowel een objectief als een subjectief element. Het objectieve element is duidelijk: ondanks dat de objectieve voorwaarden aanwezig zijn wordt het door de unieregeling beoogde doel niet bereikt. Het door het HvJ als subjectief aangeduide element is lastiger.1 Hoe kan de bedoeling van een partij in een procedure worden vastgesteld? Het HvJ geeft aan dat met name de samenwerking tussen exporteur in de EU en importeur in het derde land tot de conclusie kan leiden dat van misbruik sprake is. Maar hoe moet de samenwerking dan naar voren komen? Is de vaststelling dat de importeur in het derde land een dochteronderneming is van de exporteur in de EU (zoals in Emsland-Stärke) daarvoor voldoende? De introductie van een subjectief element door het HvJ lijkt daarom ongelukkig.2 In latere rechtspraak valt op dat niet meer met zoveel woorden verwezen wordt naar het subjectieve element als constitutief vereiste voor een vaststelling van misbruik.3 Opvallend in dit arrest is ook dat het HvJ de opmerkingen van de Commissie volledig onderschrijft (en ook volgt) maar nergens spreekt – in tegenstelling tot de Commissie – van verbod op misbruik van recht als ‘algemeen beginsel van communautair recht’. Ondanks deze bezwaren wordt het arrest Emsland-Stärke terecht gezien als een essentiële stap in de ontwikkeling van het unierechtelijke rechtsmisbruikbegrip.4 Nog niet eerder benoemde het HvJ misbruik zo duidelijk en verbond er bovendien een criterium aan. Het criterium in Emsland-Stärke vormde de basis waarop het HvJ voortbouwde in latere rechtspraak, met name in de sfeer van het Europese belastingrecht.