Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.4.2
15.4.4.2 Verhouding met de ‘person charged’
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492236:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Albers 2002, p. 180. Schrijver meent dat het zwijgrecht op grond van art. 29 Sv op een eerder moment kan worden ingeroepen dan op grond van bestuurlijke boeteregelingen, waarin voor het aanvangstijdstip van het zwijgrecht aansluiting werd gezocht bij het begrip ‘charge’. Zie ook Bröring 2005, p. 65.
In art. 27, lid 2 Sv is vastgelegd dat nadat de vervolging is aangevangen, als verdachte wordt aangemerkt degene tegen wie de vervolging is gericht.
Melai/Groenhuijsen, aant. 5.3 bij art. 27.
Knigge 2005, p. 351 e.v.
In deze zin: A-G Wattel, conclusie bij HR 27 juni 2001, BNB 2002/27 (m.nt. Feteris), pt. 4.2, met verwijzing naar HR 26 oktober 1993, NJ 1994, 629 (m.nt. Corstens).
De aanvullende werking van het verwachtingscriterium in fiscale strafzaken is potentieel minder groot dan geldt voor fiscale boetezaken. De perioden gedurende welke iemand de hoedanigheid van verdachte in de zin van art. 27 en die van vervolgde als bedoeld in art. 6 EVRM heeft, overlappen elkaar niet volledig. Een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM is niet hetzelfde als een ‘redelijke verdenking van schuld aan eenig strafbaar feit’ in de zin van art. 27 Sv. Een (redelijk) vermoeden van schuld pleegt aan een beschuldiging vooraf te gaan.1 Tegelijk is het zo dat iemand al de status van beschuldigde kan hebben voordat sprake is van (formele) vervolging in de zin van art. 27, lid 2 Sv.2 Het strafrechtelijke vervolgingsbegrip in lid 2 valt dus niet steeds samen met het Straatsburgse vervolgingsbegrip in art. 6 EVRM.3
Geen redelijkheidstoets bij criminal charge
In de rechtspraak van het EHRM over de criminal charge speelt de vraag of sprake is van een redelijke verdenking, zoals verwoord in art. 27, lid 1 Sv, geen rol. Het enkele feit dat iemand is ‘charged with a criminal offence’, geeft hem aanspraak op de in art. 6 EVRM vastgelegde of belichaamde rechten, waaronder het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Of de criminal charge op goede gronden berust, is dan niet van belang. In dit opzicht komt de ‘person charged’ in art. 6 EVRM wel overeen met het verdachtebegrip in art. 27, lid 2 Sv.4
Overigens maakt het voorgaande duidelijk dat de positie van de verdachte in strafvorderlijke zin (voor wie zowel art. 29 Sv. als art. 6 EVRM gelden) en die van de potentiële fiscale boeteling (voor wie enkel art. 6 EVRM geldt)5 uit elkaar zijn gespeeld.6 Omdat voor de boeteling bij boeterechtelijk verhoor ook een zwijgrecht voor op bestraffing gerichte vragen geldt, is het de vraag of deze vaststelling enig praktisch gevolg heeft.