Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.7.3.1
8.7.3.1 Eindvoorzieningen
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363640:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 25 juni 2010, NJ 2010, 370, JOR 2010/226 m.nt. Van Solinge (e-Traction I).
Vgl. art. 2:357 lid 3 BW. Vgl. Geerts (diss., p. 306) die stelt dat enkel tijdelijke overdracht van aandelen zich tegen de aandeelhouders richt.
Zie daarover 14.5.
Een soortgelijke formulering bezigt de Hoge Raad in zijn beschikking van 14 december 2007, NJ 2008, 105 m.nt. Maeijer, JOR 2008/11 m.nt Doorman, r.o. 3.6 (DSM).
Kamerstukken 9596, nr. 3 (MvT), p. 9. Bij commissarissen speelt dit niet, omdat dit altijd natuurlijke personen zijn (art. 2:140/250 lid 1 BW).
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA).
Het feit dat eindvoorzieningen beogen om wanbeleid te verhelpen en dat wanbeleid aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, betekent niet dat eind-voorzieningen zich louter kunnen richten tegen de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête (respectievelijk rechtspersonen die voorwerp zijn van de enquête, bijvoorbeeld in het geval van een concernenquête). Dat blijkt reeds uit de in par. 8.5.3 besproken wetsgeschiedenis ten aanzien van art. 357 lid 2 BW (de ondernemingskamer regelt zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen), waarin de wetgever uiteenzette dat deze bevoegdheid in het leven is geroepen om te voorkomen dat eindvoorzieningen gevolgen hebben voor derden te goeder trouw.
Sterker nog, eindvoorzieningen richten zich altijd ook tot een of meer anderen dan de rechtspersoon, in de zin dat eindvoorzieningen rechtsgevolgen voor hen hebben. Dat is evident bij het ontslag en de schorsing van bestuurders en commissarissen en tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer.1 Voorts tast het tijdelijk aanstellen van een bestuurder en commissaris de bevoegdheden van de aandeelhouders(vergadering) aan.2 Tevens heeft het tijdelijk afwijken van bepalingen van de statuten gevolgen voor alle personen die aan deze statuten zijn gebonden. Hetzelfde geldt voor de schorsing of vernietiging van een besluit. Daarmee verdwijnt immers de bindende kracht van het besluit voor de rechtspersoon en de bij zijn organisatie betrokkenen. In geval van vernietiging van besluiten met (indirect) externe werking, heeft deze vernietiging in beginsel ook rechtsgevolgen ten opzichte van de derde die op de externe werking vertrouwd heeft.3 Ook de ontbinding van de rechtspersoon heeft rechtsgevolgen voor anderen. Ontbinding heeft immers tot gevolg dat de rechtspersoon louter voortbestaat voor zover dat nodig is voor de vereffening van zijn vermogen. Dat vormt een ernstige uitholling van de rechtsbetrekkingen tussen de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken.
Hoewel eindvoorzieningen dus steeds ook rechtsgevolgen hebben voor anderen dan de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête, uiten deze rechtsgevolgen zich wel steeds in een rechtsverhouding tot deze rechtspersoon. Anders gezegd, betreft het steeds (ook) ingrijpen binnen (de organisatie van) de betrokken rechtspersoon.4 Indien bijvoorbeeld de rechtspersoon, die voorwerp is van de enquête, wordt bestuurd door een rechtspersoon die dat niet is, kan deze bestuurder worden geschorst en ontslagen, maar de bestuurder van deze bestuurder/rechtspersoon weer niet. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het om de rechtspersoon waarbinnen zich het wanbeleid voortdoet.5 Hetzelfde geldt voor de eindvoorziening tijdelijk afwijken van bepalingen van de statuten. De wetsgeschiedenis van art. 2:356 sub e BW (tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer) is wat minder duidelijk, omdat de wetgever er expliciet op wijst dat hij deze voorziening niet verder uitwerkt, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de wetgever niet heeft beoogd om mogelijk te maken dat aandelen in een andere vennootschap dan de vennootschap die voorwerp is van de enquête ten titel van beheer worden overgedragen.6 Sub a en f van art. 2:356 BW reppen specifiek van een besluit van de rechtspersoon, respectievelijk de ontbinding van de rechtspersoon, waarmee de rechtspersoon die voorwerp is van de enquête wordt bedoeld.