Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging
Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.2:II.2 Onderzoeksvragen
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/II.2
II.2 Onderzoeksvragen
Documentgegevens:
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit deel van het onderzoek moet vastgesteld worden welke eisen gelden voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures en in hoeverre daarop invloed van de onderscheiden beginselen van behoorlijke rechtspleging merkbaar is. Om dat vast te kunnen stellen worden voor iedere voorprocedure de geldende eisen in kaart gebracht gerelateerd aan de onderscheiden beginselen van behoorlijke rechtspleging. Dat betekent dat de gelding van het onpartijdigheidsbeginsel, het beginsel van hoor en wederhoor, het openbaarheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het beginsel van de redelijke termijn in afzonderlijke hoofdstukken voor de bestuurlijke voorprocedures onderzocht worden. In het kader daarvan komen ook equivalente eisen van behoorlijk bestuur aan bod. Vervolgens wordt bezien in hoeverre de voor rechtspleging geldende beginselen van invloed zijn (geweest) op de voor de bestuurlijke voorprocedures. Daartoe worden de ratio van de voor het bestuur geldende eisen in kaart gebracht en vergeleken met de ratio van de voor de (bestuurs)rechter geldende eisen. Tevens worden met het oog daarop de concrete inrichtingseisen die voortvloeien uit de verschillende beginselen die gelden voor het bestuur aan een onderzoek onderworpen.
De onderzoeksvragen die in dit deel van het onderzoek onderzocht worden kunnen onderverdeeld worden in drie deelvragen. Om de verwantschap of verschillen met rechtspraak te kunnen bepalen en ook om te kunnen bepalen in hoeverre deze gevolgen moeten hebben voor de eisen ten aanzien van de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures, wordt eerst onderzocht welke functies aan deze procedures toekomen. Vervolgens wordt onderzocht wat de aard en omvang is van de werkzaamheid van het bestuur in die procedures en in hoeverre deze verschilt van de werkzaamheid van de bestuursrechter. De derde deelvraag vormt vervolgens de kern van het onderzoek en ziet op de eisen die gesteld worden aan de inrichting van de procedure.
Op basis van het voorgaande kom ik tot de volgende onderzoeksvragen die in dit deel beantwoord moeten worden:
- Welke functies worden aan de bestuurlijke voorprocedures, in het bijzonder de bezwaarschriftprocedure toegeschreven? In hoeverre zijn de bestuurlijke voorprocedures een vorm van rechtsbescherming?
- Waaruit bestaat de herbeoordeling door het bestuur in het kader van de bestuurlijke voorprocedures, in het bijzonder de bezwaarschriftprocedure, en in hoeverre vertoont deze gelijkenis met de toetsing door de bestuursrechter in een rechterlijke procedure?
Doel van het onderzoek in het kader van deze eerste vragen is, zoals gezegd, vast te stellen in hoeverre de functies of aard van de desbetreffende procedures aanleiding vormen om aan te nemen dat er aan de desbetreffende procedures vergelijkbare of verschillende eisen als aan (bestuurs)rechtspraak gesteld moeten worden. Na een conclusie te hebben getrokken naar aanleiding van de bevindingen in dit verband, vindt beantwoording van de laatste deelvraag plaats:
- Welke vereisten gelden voor de inrichting van deze procedures en in hoeverre komt de invloed van de beginselen van behoorlijke rechtspleging tot uitdrukking in die eisen?
Doel van het onderzoek in het kader van de laatste vraag is een vergelijking te maken tussen de vereisten die gelden voor de inrichting van de bestuurlijke voorprocedures en de procedure bij de bestuursrechter. Daarmee kan de doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging in de bestuurlijke voorprocedures vastgesteld worden.