De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.1:8.1 Inleiding
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232446:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In afwijking hiervan zijn stichtingen die op de voet van de Woningwet bij koninklijk besluit zijn toegelaten als instelling die in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn, altijd belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (artikel 2 lid 1 onderdeel d Wet Vpb 1969).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige hoofdstukken kwamen vooral de civielrechtelijke aspecten van de bij dode opgerichte stichting aan de orde. Binnen de probleemstelling uit hoofdstuk 1 past als daar besproken ook een onderzoek naar de heffing van belastingen ten laste van de bij dode opgerichte stichting. Aan deze belastingheffing is dit hoofdstuk gewijd.
De heffing van belastingen van een bij dode opgerichte stichting verloopt niet anders dan van iedere andere stichting. Zo betrekt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een stichting in de heffing van vennootschapsbelasting als wordt voldaan aan de eisen van artikel 2 lid 1 onderdeel e Wet Vpb 1969 in verbinding met artikel 6 lid 1 Wet Vpb 1969.1 Hoe de stichting is opgericht, speelt geen rol. Dit geldt ook voor de omzetbelasting. De wijze van oprichting heeft geen invloed op de vraag of een stichting wordt aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968. Heffing van inkomstenbelasting van de stichting is niet aan de orde; daarvoor zijn alleen natuurlijke personen belastingplichtig (artikel 1.1 Wet IB 2001). De inkomstenbelasting heeft wel gevolgen voor natuurlijke personen die zijn onderworpen aan de regels van het afgezonderd particulier vermogen (APV) uit artikel 2.14a Wet IB 2001. Echter, niet de positie van (eventuele) gerechtigden tot het vermogen van een bij dode opgerichte stichting staat centraal in dit onderzoek, maar de bij dode opgerichte stichting zelf. Toch valt één belasting aan te wijzen die van groot belang is voor de bij dode opgerichte stichting: de erfbelasting.
In dit hoofdstuk zoek ik naar eventuele bijzonderheden bij de heffing van erfbelasting als een bij dode opgerichte stichting wordt opgericht.
In dit hoofdstuk behandel ik de volgende onderwerpen. Eerst behandel ik in 8.2 de positie van de bij dode opgerichte stichting als verkrijger van vermogen uit de nalatenschap van de erflater in fiscaal historisch perspectief. In 8.3 besteed ik aandacht aan de positie van de bij dode opgerichte stichting als verkrijger van vermogen uit de nalatenschap van de erflater vanaf 2010. Hierbij komen de APV-regeling, de regeling rond de algemeen nut beogende instelling (ANBI) en die ten aanzien van de sociaal belang behartigende instelling (SBBI), aan de orde. In 8.4 volgt de vraag of de conversielast uit artikel 4:135 lid 2 BW leidt tot dubbele heffing van erfbelasting. De invloed van het doel als last op de erfbelasting is het onderwerp van 8.5. De heffing van belasting in Duitsland wordt behandeld in 8.6 en de belastingheffing in België in 8.7. Hierbij moet op voorhand worden gezegd, dat vanwege de onderzoeksvraag dit niet de aangewezen plaats is diep in te gaan op de fiscale behandeling van verkrijgingen door bij dode opgerichte stichting in Duitsland en België, net zomin als dat ik dat zal doen ten aanzien van de Nederlandse bij dode opgerichte stichting. Ten slotte trek ik in 8.8 een conclusie.