Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.3.3.2.2
8.3.3.2.2 Omzet met betrekking tot de levering van onroerende investeringsgoederen die door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291542:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 6 maart 2008, zaak C-98/07, BNB 2008/219, m.nt. Swinkels (Nordania Finans).
M. van der Wulp, ‘Eenmaal is geenmaal’, BtwBrief 2014/78, p. 4.
In de procestaal, het Deens, wordt het begrip ‘professionelt’ gebruikt dat naar mijn mening beter vertaald kan worden met professioneel dan, zoals in de Nederlandse vertaling van dit arrest is gedaan, met beroepsmatig.
HvJ EG 6 maart 2008, zaak C-98/07, BNB 2008/219, m.nt. Swinkels, r.o. 26 (Nordania Finans). In soortgelijke zin: Swinkels in zijn noot bij dit arrest.
Anders: Redactie V-N, aantekening bij HR 6 juni 2014, nr. 12/05835, V-N 2014/30.16.
Omdat art. 174 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten is de uitleg van het (unie)begrip ‘omzet met betrekking tot de levering van investeringsgoederen die in het kader van zijn onderneming worden gebruikt’ voorbehouden aan het Hof van Justitie. In het licht van de interneutraliteit is dat ook wenselijk. Uit de toelichting op art. 19 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn heeft het Hof afgeleid dat dit begrip niet de investeringsgoederen omvat waarvan de verkoop voor de betrokken belastingplichtige een gebruikelijke activiteit is. Het Hof lijkt over het hoofd te zien dat de zinsnede ‘deze handelingen worden overigens slechts buiten beschouwing gelaten indien zij niet tot de gebruikelijke bedrijfswerkzaamheden van de belastingplichtige behoren’ in deze toelichting niet ziet op (thans) art. 174 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn, maar op (thans) art. 174 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn (zie paragraaf 8.3.2.2.2). Niettemin acht ik de richtlijnhistorische interpretatie van het Hof wel juist, omdat uit de toelichting van de Europese Commissie op art. 19 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn volgt dat de levering van investeringsgoederen die in het kader van zijn onderneming worden gebruikt een geval is waarin de omzet geen uitvloeisel is van de bedrijfsuitoefening van de belastingplichtige. Hierin ligt naar mijn mening besloten dat het moet gaan om de levering van investeringsgoederen die door de belastingplichtige in het kader van zijn onderneming worden gebruikt, maar niet tot de gebruikelijke werkzaamheden van de belastingplichtige behoort.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat het begrip ‘investeringsgoed’ in art. 174 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn strikter moet worden uitgelegd dan het gelijkluidende begrip voor de herzieningsregels (zie paragraaf 8.5). Ook het Hof gaat hiervan uit.1 Het is immers mogelijk dat de levering van investeringsgoederen die in het kader van zijn onderneming worden gebruikt voor de belastingplichtige een gebruikelijke activiteit is. Hierbij kan gedacht worden aan een vastgoedbelegger die regelmatig verhuurde onroerende goederen afstoot. In dat geval is het naar mijn mening in overeenstemming met de ratio en historie van art. 174 lid 2 Btw-richtlijn dat de vergoeding voor de belaste of vrijgestelde levering – in weerwil van de letterlijke tekst – in de pro rataberekening moet worden meegenomen. Wanneer de levering van investeringsgoederen die in het kader van zijn onderneming worden gebruikt een gebruikelijke activiteit is, heeft het Hof niet in het algemeen aangegeven. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden.2 Niettemin is uit het Nordania Finans-arrest naar mijn mening wel af te leiden dat als een belastingplichtige de levering van vastgoed op professionele wijze3 en systematisch organiseert dit voor hem een gebruikelijke activiteit is.4 Hieruit mag naar mijn mening niet – want a contrario – de conclusie worden getrokken dat geen sprake is van een gebruikelijke activiteit indien de belastingplichtige de levering van vastgoed niet op een professionele wijze en systematisch organiseert.5
8.3.3.2.2.1 Verkoop voormalig verhuurde onroerende goederen