Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.4.b
8.4.b Oplossingen, vooruitblik en commentaar
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604705:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Contourennota Modernisering Strafvordering 2015b, p. 116.
Zie nader Van Kempen & Pesselse 2014.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 22-23.
Behoudens door in alle gevallen verlof te verlenen, in welke zin Stijnen 2011, p. 145 en 491.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 18, 19.
Contourennota Modernisering Strafvordering 2015b, p. 114-118; Pesselse 2015.
Discussienota hoger beroep 2014, p, 22-23; Agenda Appelrechtspraak 2013, p. 11; Harteveld & Van Strien 2013, p. 80; Van Leusden 2016.
Hoofdstuk 5.3, in het bijzonder onderdeel b.
Nogmaals, zie hoofdstuk 5.
Vgl. voor dat laatste Keulen 2012a, p. 28-29.
In de Engelstalige literatuur worden verwante termen gebruikt, namelijk frivolous, mischievous of vexatious, zie Mikaelson 1980, p. 168. Deze termen duiden naar normaal spraakgebruik op meer dan alleen misbruik van beroep, maar tegelijk ook op iets anders (minder) dan evident ongegronde beroepen.
Het is niet eenvoudig om van het begrip ‘pleitbaar beroep’ een algemene definitie te geven. Relevante factoren zijn volgens mij onder meer (i) de kwaliteit van de (totstandkoming van de) bestreden uitspraak, (ii) de aard van de regel over de toepassing waarvan wordt geklaagd, (iii) de motivering van het beroep. Wat de juridische onderbouwing betreft gaat het primair om de verankering van de klachten in rechtsbronnen zoals verdragsrecht, wet- en regelgeving en vaste rechtspraak. Daarnaast kan ook van belang zijn of het beroep is verankerd in (van de ‘primaire’ bronnen afwijkende) literatuur, soft law, lagere rechtspraak, conclusies van het parket of andere ‘secundaire’ bronnen, en bijvoorbeeld op grond daarvan een gerecht uitlokt ‘om’ te gaan, vgl. Spong 2011; Nan 2013a, p. 475, Boksem 2013, p. 9-10; zie meer algemeen over het pleitbaar standpunt (in belasting- en strafrecht) Kors 2017.
Paragraaf 7.3f.
Intussen is aangekondigd dat het verlofstelsel in hoger beroep in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering zal worden afgeschaft.1 Dat voornemen is gebaseerd op zowel verdragsrechtelijke overwegingen als overwegingen van effectiviteit.2 De vraag naar oplossingen voor de verdragsrechtelijke problemen van het verlofstelsel in hoger beroep is niettemin het beantwoorden waard. Dit niet alleen omdat in een dynamisch wetgevingsproces een voornemen kan vervallen, maar ook omdat in de eerste fasen van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering is nagedacht over een verlofstelsel in aangepaste vorm.
Is het huidige verlofstelsel van artikel 410a Sv te redden? Tegen bovenstaande conclusies over de (on)toelaatbaarheid van artikel 410a Sv in hoger beroep kan worden ingebracht dat de maatstaf van de goede rechtsbedeling naast inhoudelijke verlofbeoordeling ook vereist dat de voorzitter beoordeelt of toelating van het beroep vanuit verdragsrechtelijk perspectief moet plaatsvinden (vgl. conclusie verdragsrecht 6). In vergelijkbare zin de memorie van toelichting: “Het spreekt daarbij vanzelf dat de voorzitter goed zal letten op mogelijke schendingen van de rechten die voort vloeien uit het recht op een eerlijke berechting, neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Waar hij aanwijzingen heeft dat daarvan sprake zou kunnen zijn, zal hij verlof moeten geven voor behandeling in hoger beroep.”3 In deze visie deugt de wettelijke vormgeving van het verlofstelsel op zichzelf wel, maar schieten verlofrechters in sommige zaken kennelijk tekort in de eerlijke en zorgvuldige toepassing ervan. Deze visie lijkt mij uiteindelijk te gemakkelijk. De verlofrechters in hoger beroep kunnen door terughoudende en gemotiveerde toepassing van het verlofstelsel namelijk slechts een deel van de verdragsrechtelijke gebreken helen.4 Aan de beperkte beschikbaarheid van stukken kunnen zij weinig doen, terwijl organisatie van een verlofzitting binnen huidige wetgeving niet goed mogelijk lijkt.
Als aanvullende wettelijke maatregel is ten eerste nodig dat de rechtbanken worden verplicht ook in verlofgevallen een mondeling of verkort schriftelijk vonnis uitgebreid uit te werken. Als gevolg hiervan kan de verlofrechter met grotere zekerheid (afwijzende) verlofbeslissingen nemen en motiveren. Een alternatief hiervoor is dat ook in verlofgevallen (openbare) zittingen worden georganiseerd. Verder dient ofwel door duidelijke afspraken tussen hoven, ofwel na cassatie in het belang der wet door de Hoge Raad, ofwel door de wetgever duidelijkheid te worden gegeven over het vereiste inhoudelijke karakter van de verlofbeoordeling in hoger beroep. De huidige maatstaf is zo open geformuleerd dat ondanks adequate motivering van de verlofbeslissing twijfel kan bestaan of de door artikel 14 lid 5 IVBPR vereiste beoordeling is verricht. Alleen als deze wettelijke en/of andersoortige maatregelen worden genomen, blijft het verlofstelsel in hoger beroep beter binnen de marges van de internationale verplichtingen, zoals in de toelichting op de Wet stroomlijnen hoger beroep in het algemeen enkele keren is vooropgesteld.5
Hoewel het verlofstelsel verdragsrechtelijk bezien dus wel te redden is, ligt afschaffing zoals opgemerkt in het verschiet. Gelet op alle commentaar lijkt mij dat ook terecht. De voorgestelde modernisering van het hoger beroep bevat daarnaast intussen wel de kiemen van een ander verlofstelsel. Volgens de Contourennota voor modernisering van het Wetboek van Strafvordering uit 2015 zal in hoger beroep afscheid worden genomen van de tenlastelegging als object van beoordeling, en komt in plaats daarvan primair beoordeling van het vonnis en de daarop gerichte grieven centraal te staan. Ruimte voor ambtshalve beoordeling van het vonnis uit eerste aanleg blijft bestaan, maar niet meer in alle gevallen is nodig dat de appelrechter zelf de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv beantwoordt.6 In dit stelsel wordt van de insteller van het beroep vereist dat hij bij schriftuur grieven indient. In discussiestukken over de modernisering van het hoger beroep is geopperd aan deze grieveneis de mogelijkheid te koppelen voor vereenvoudigde afdoening van appellen met evident ongegronde grieven. Afdoening zou plaats kunnen vinden op zogeheten rolzittingen, al dan niet openbaar, aldus een discussiestuk.7 Hier dringt zich een vergelijking op met de in hoofdstuk 5 behandelde inhoudelijke toetsing van grieven – in het Nederlandse strafrecht thans niet aan de orde.8 In de meest recente plannen voor modernisering van het hoger beroep komt dit idee niet meer voor, maar het is niet ondenkbaar dat het in de toekomst wordt afgestoft.
In termen van dit boek kan de vereenvoudigde afdoening van evident ongegronde grieven worden gekenmerkt als inhoudelijk verlofstelsel.9 In de ogen van het EHRM en het CRM kwalificeert het waarschijnlijk als leave to appeal, met terughoudend toezicht als gevolg. Mits omkleed met waarborgen waaraan het het huidige verlofstelsel ontbreekt, is vereenvoudigde afdoening van evident ongegronde grieven in hoger beroep onder het verdragsrecht acceptabel, ook voor zware strafzaken.10
Voordat zo’n inhoudelijk verlofstelsel in hoger beroep wordt ingevoerd, lijkt het mij wenselijk dat eerst ervaring wordt opgedaan met het voorgestelde grievenstelsel. Gewenning aan dit grievenstelsel moet niet worden gecompliceerd door direct van raadsheren te verwachten dat zij onderscheid maken tussen evident en niet-evident ongegronde grieven. Bovendien lijkt een heldere uitleg van een of ander evidentievereiste in parlementaire stukken mij onontbeerlijk, eventueel aangevuld met onderlinge afspraken tussen hoven of richtinggevend optreden door de Hoge Raad. Het ontbreken van dit soort duiding en aanwijzing, verklaart volgens mij mede het problematische karakter van artikel 410a Sv onder het verdragsrecht.
Een inhoudelijk verlofstelsel (in hoger beroep) zou bovendien zo kunnen worden vormgegeven dat het een signaalfunctie heeft. Voor goed begrip van deze functie is het nodig onderscheid te maken tussen onbeperkte en beperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling. Bij onbeperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling kan de beroepsrechter aan elk beroep dat gewoonlijk wordt verworpen de toegang weigeren. Bij beperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling wordt slechts aan een deel van de beroepen dat gewoonlijk wordt verworpen de toegang geweigerd. Het geldende recht laat zien dat voor beperking van inhoudelijke toegangsbeoordeling vooral algemene demarcatiecriteria worden gebruikt, zoals ‘klaarblijkelijk’ in Nederlandse cassatie, ‘kennelijk’ in het Nederlandse bestuursrecht, manifestly in de klachtprocedure bij het EHRM, of het vereiste dat het falen van het hoger beroep clear moet zijn in Noorse strafzaken.11
Dit soort beperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling is mogelijk voordelig omdat het demarcatiecriterium een signaal kan afgeven over de kwaliteit van de behartiging van het beroep door repeat players van het openbaar ministerie en de advocatuur. Een voorbeeld hiervan is de rechtspraak van de Hoge Raad over stellige en duidelijke middelen van cassatie. Indien een bezwaar in cassatie niet aan bepaalde minimumeisen van duidelijkheid, coherentie en begrijpelijkheid voldoet, dan wordt het bezwaar niet als middel in de zin der wet beschouwd.12 Dat is een onmiskenbaar signaal aan de opsteller van zo’n ‘middel’. Meer algemeen beschouwd lijkt voor een nuttige signaalfunctie van beperkte inhoudelijke toegangsbeoordeling het begrip ‘verdedigbaar’ of ‘pleitbaar’ geschikt.13 Indien een beroep als ‘onpleitbaar’ niet-ontvankelijk wordt verklaard, dient de behartiger ervan zich dat aan te trekken. Meer dan de oordelen ‘klaarblijkelijk ongegrond’ of ‘kennelijk ongegrond’ is de maatstaf van ‘pleitbaar beroep’ gericht op het functioneren van de insteller/behartiger van het beroep zelf in plaats van op (de intensiteit van) het onderzoek van het gerecht dat over het beroep oordeelt, wat goed aansluit bij de gewenste oriëntatie op de kwaliteit van de behartiging van het beroep.14 Bovendien laat het criterium ruimte voor pleitbare doch uiteindelijke falende beroepen en wekt het daarom niet de indruk dat alleen uiteindelijk slagende beroepen het instellen waard zijn. Een criterium dat die indruk wel zou wekken, heeft een onwenselijk chilling effect op het aanwenden van beroep.
Voor goede werking van de signaalfunctie van een beperkt inhoudelijk verlofstelsel lijkt overigens wel enigszins specifieke motivering van de weigering vereist, omdat anders moeilijk van weigering kan worden geleerd. Het is gelet hierop spijtig dat het vereiste van stellige en duidelijke middelen van cassatie thans onder artikel 80a RO is gebracht en nu dus in beginsel met een algemene standaardmotivering wordt afgedaan.15