Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/4.1
4.1 Inleiding
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS391802:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierboven p. 33.
De Bataafse Republiek was reeds een feit in 1795, doch de pogingen om tot een nationale wetgeving te komen waren op niets uitgelopen omdat alle beoogde commissieleden de taak van wetgeving van de hand hadden gewezen. Pas na de staatsgreep in 1798 begint de Nederlandse codificatiegeschiedenis.
De staatsregeling is opgenomen in Van Hasselt 1987, p. 21. Het betreffende artikel 28 verbindt tevens een uiterlijke termijn van twee jaar aan de inwerkingtreding van een Burgerlijk Wetboek dat naast een Wetboek van Lijfstraflijke Wetten en een Wetboek van Regtsvordering zal worden ingevoerd.
Het aantal aanpassingen op de Code Napoleon was anders dan de naam van het wetboek suggereert, niet gering. Het aangepaste Wetboek Napoleon is sterk door het Ontwerp Van der Linden beïnvloed, zie Cerutti 1965, p. 61-71 en kan zelfs als zelfstandig wetboek worden aangemerkt, aldus Brandsma 2006, p. 246 en 247, die overigens treffend opmerkt dat Lodewijk met dit handelen op ramkoers bleef varen met zijn broer en hiermee tevens de kiemen voor zijn aftreden had gezaaid. Zie Brandsma 2006, p. 227.
De vorst gaf hiermee uitvoering aan artikel 100 van de Grondwet van 1814. De strekking van dit artikel is gelijk aan het hierboven in voetnoot 3 genoemde artikel 28 van de Staatsregeling van 1798.
Het WNH is naar het oordeel van Kemper ‘te veel op de leest van den code Napoleon geschoeid’ en men herkende ‘te zeer het model van vreemden oorsprong’ erin. Zie Voorduin I, I, p. 17 en 18.
Bij KB 16 maart 1816 onderwierp Willem I het ontwerp aan een commissie van drie rechtsgeleerden uit de Zuidelijke provinciën, te weten Lammens, De Guchteneere en Nicolaï. Zie over deze commissie Gillissen 1967, p. 392 e.v.
Zie voor de Belgische bezwaren – het ontwerp werd onder meer geacht te omslachtig, slecht ingedeeld en in onduidelijke taal gesteld te zijn – Cleveringa 1938, p. 282-299.
Zie proclamatie van 21 november 1813, Stb. nr. 1.
Opvallend genoeg bleek niet alleen onder de Kamerleden uit de Zuidelijke, maar ook uit de Noordelijke Nederlanden weinig draagvlak te vinden voor het ontwerp van Kemper. Zie Cleveringa 1938, p. 302, Diephuis I, p. 129 en 130 en Lokin & Zwalve 2014, p. 374. Voorduin merkt op dat ‘men den afkeer van het Fransche bestuur had leeren afscheiden van de Fransche wetgeving’, zie Voorduin I,I, p. 175.
Lokin & Zwalve 2014, p. 374.
Zie Voorduin I,I, p. 278.
Zie over dit wetgevingsproces uitgebreid Voorduin I,I, p. 277-314.
Voorduin I,I, p. 365.
Reeds in april 1834 was de herziening van het Burgerlijk Wetboek voltooid, maar met de invoering werd gewacht totdat ook de andere wetboeken waren herzien.
Het Ontwerp 1820 wordt weliswaar door sommigen als ‘de voornaamste’ of ‘meest gewichtige’ bron van het BW van 1838 beschouwd, zie respectievelijk Goudsmit, Themis 1861, VIII, p. 373 en De Bosch Kemper 1864, p. VIII, Diephuis bepleit echter met steun van Land dat hieraan in het algemeen geen grote waarde voor de uitleg van het recht mag worden toegekend. Zie Diephuis I, p. 165 en 166 en Land 1899, p. 121.
De faam die de codificatoren hadden, kwam de door hen vervaardigde ontwerpen evenzeer toe. Zo wordt bijvoorbeeld door Voorduin het Ontwerp 1816 vol lof besproken, zie Voorduin I,I, p. 44-71.
Zo heeft de commissie voor het vervaardigen van het WNH zich onder andere bediend van het Ontwerp Van der Linden, zie Lokin & Zwalve 2014, p. 368 en is Kemper beïnvloed door het ontwerp van de Commissie van Twaalf en het WNH. Zie De Bosch Kemper 1864, p. VI.
Volgens Scholten zijn de verschillen met het Franse recht haast altijd te herleiden tot het Ontwerp 1820. Zie Asser-Scholten (Algemeen deel) 1974, p. 176.
In het vorige hoofdstuk is beschreven dat gelet op het staatsbestel van de Republiek der Verenigde Nederlanden rechtsuniformiteit onmogelijk was.1 Ieder gewest was soeverein en leefde naar zijn eigen recht. De gemeenschappelijke rechtsbron die er was – te weten het Romeinse recht – had slechts subsidiaire werking. Aan die rechtspluriformiteit leek in 1798 een eind te komen.2 De Burgerlijke en Staatkundige Grondregels van de op 1 mei van dat jaar ingevoerde Staatsregeling schreven voor dat er een burgerlijk wetboek zou worden gemaakt.3 Ter uitvoering daarvan werd de zogeheten ‘Commissie van Twaalf’ ingesteld. In het vervaardigen van een wetboek was deze commissie niet geslaagd toen Lodewijk Napoleon in 1806 bij traktaat van 24 mei tot koning van Nederland werd benoemd. De jongere broer van keizer Napoleon begon ijverig aan zijn werkzaamheden als koning en gaf weldra opdracht aan de Amsterdamse advocaat Joannes van der Linden om de samenstelling van het burgerlijk wetboek op zich te nemen. Onder druk van keizer Napoleon – hij had Lodewijk gelast de Code Napoleon per 1 januari 1808 onverkort in te voeren – werd de poging van Van der Linden gestaakt. Lodewijk riep niettemin een nieuwe commissie in het leven om de Code Napoleon aan Nederlandse omstandigheden aan te passen.4 De werkzaamheden van deze commissie resulteerden in het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koninkrijk Holland (WNH) dat op 1 mei 1809 in werking trad. De rechtskracht van dit wetboek was echter van korte duur omdat keizer Napoleon, nadat Nederland in 1810 was ingelijfd bij Frankrijk, op 1 maart 1811 het WNH verving door de Code civil. Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 benoemde Willem I bij besluit van 18 april 1814 een commissie, waaraan buitengewoon staatsraad Joan Melchior Kemper werd toegevoegd, die zich zou belasten met het opstellen van een nationaal burgerlijk wetboek.5 De commissie nam niet het WNH tot grondslag van het nieuwe ontwerp, maar legde zich na aandringen van Kemper toe op de vervaardiging van een oorspronkelijk Nederlands werk.6 Dat werk kreeg uiteindelijk vorm in het Ontwerp 1816. Staatkundige veranderingen – in 1815 werden als resultaat van het Congres van Wenen de Zuidelijke Nederlanden met de Noordelijke Nederlanden verenigd – leidden ertoe dat het uitsluitend Noord-Nederlandse ontwerp van 1816 moest worden herzien.7 Het als gevolg van de bezwaren van zuidelijke zijde gewijzigde ontwerp – het zogeheten Ontwerp 1820 – werd vervolgens bij de Tweede Kamer ingediend.8 Intussen won de gedachte om het bestaande wetboek, de Franse Code civil die in afwachting van een nationaal wetboek van kracht bleef,9 behoudens enkele wijzigingen over te nemen, meer en meer bijval.10 Deze gedachte bleek te meer uit de behandeling in de Tweede Kamer, waarin grote delen van het ontwerp werden verworpen en voor het overige zoveel wijzigingen werden voorgesteld dat in feite sprake was van een totale verwerping van het ontwerp.11 De Commissie van redactie die weldra werd ingesteld, kreeg als taak om naar aanleiding van de beraadslaging in de Kamer een ontwerp op te stellen.12 Al snel werd duidelijk dat de Commissie van redactie waarbinnen Pierre-Thomas Nicolaï een hoofdrol speelde, een andere koers ging varen. De codificatiewerkzaamheden hebben uiteindelijk geresulteerd in het Wetboek van 1830 dat veel ontleende aan de Franse Code civil.13 De invoering van dit wetboek werd opnieuw verstoord door politieke feiten.
In augustus 1830 was namelijk de Belgische opstand uitgebroken, hetgeen de op 1 februari 1831 voorziene invoering van het wetboek verhinderde. Na de Belgische onafhankelijkheid dienden de reeds aangenomen wetboeken eerst opnieuw te worden herzien voordat zij in werking mochten treden. De aanpassingen op het meest recente ontwerp – men greep dus niet terug op het ontwerp van Kemper, maar nam het Wetboek van 1830 als uitgangspunt – waren er met name op gericht terug te komen op enkele punten waarbij men aan de aandrang van de Belgische leden had toegegeven.14 Uiteindelijk trad het Burgerlijk Wetboek op 1 oktober 1838 tezamen met het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Koophandel in werking.15
Van alle commissies die in de periode vanaf 1798 tot 1838 aan de codificatie van een burgerlijk wetboek hebben gewerkt, zagen slechts twee hun ontwerp uiteindelijk als wetboek worden ingevoerd. Afgezien van de Franse Code civil die niet tot de Nederlandse codificatiegeschiedenis behoort, hebben immers alleen het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koninkrijk Holland (1809-1811) en het Burgerlijk Wetboek van 1838 (tot 1992) kracht van wet gekregen. Hoewel de werkzaamheden van de andere commissies in meer of minder voltooide vorm in het ontwerpstadium zijn blijven steken, verdienen deze ontwerpen toch een korte behandeling. Het belang voor de rechtsontwikkeling moge dan gelet op de grote Franse invloed op het Burgerlijk Wetboek van 1838 betrekkelijk gering worden geacht,16 enige aandacht voor de ontwerpen kan niettemin worden verantwoord door het feit dat de arbeid is verricht door juristen die bij hun tijdsgenoten een zekere faam hadden.17 Daarnaast hebben deze juristen steeds het werk van hun voorgangers bij hun werk betrokken en hebben zij bovendien doorgaans in opeenvolgende commissies zitting gehad.18 Het is meer in het bijzonder de moeite waard om bij de ontwerpen stil te staan omdat voor wat betreft het zekerhedenrecht het BW van 1838 juist wel van de Code civil afwijkt.19
De wettekst van de ontwerpen geeft doorgaans enig inzicht in de wijze waarop meerdere hypotheekhouders zich tot elkaar verhouden. Uit de tekst met – doorgaans vrij summiere – toelichting volgt echter niet uitdrukkelijk de relatie van iemand met een zakelijk genotsrecht versus een andere zakelijk gerechtigde. Op deze kwestie kan alleen in de literatuur en in de rechtspraak een antwoord worden gevonden. Deze kenbronnen – zoveel moge duidelijk zijn – ontwikkelen zich alleen onder geldend recht, waardoor alleen ten aanzien van het recht onder het BW van 1838 de vraag naar conflicten tussen genotsrechten uitvoerig aan de orde kan komen.