Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.2.4
16.2.4 Zaaksvervanging
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS368260:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Daarnaast kent artikel 3:229 BW nog een regeling van zaaksvervanging ten aanzien van vorderingen tot vergoeding die in de plaats van het verbonden goed treden, maar deze is hier niet relevant. Zie voor een verhandeling over zaaksvervanging bij pandrecht Perrick 2016, p. 109 e.v..
HR 17 februari 1995, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN), r.o. 3.3.3: ‘Door betaling van een stil verpande vordering aan degene die bevoegd is betaling in ontvangst te nemen, gaat de vordering teniet en daarmee ook het op de vordering rustende pandrecht. Bij gebreke van een daartoe strekkende regel kan niet worden aanvaard dat het pandrecht komt te rusten op het geïnde.’
Wanneer de vordering is geïnd door de pandhouder of door de pandgever met machtiging van de kantonrechter (ik neem aan dat, hoewel de wet hierover zwijgt, dit ook geldt voor inning door de pandhouder met toestemming van de pandhouder) komt het pandrecht in plaats van op de vordering, die immers teniet is gegaan door inning, op het geïnde te rusten (3:246 lid 5 BW). In plaats van op de vordering rust het pandrecht dus op het geïnde bedrag.1 Zaaksvervanging vind echter niet plaats indien de vordering door de pandgever wordt geïnd en het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.2