Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.2.2:16.2.2 Vestiging pandrecht
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.2.2
16.2.2 Vestiging pandrecht
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS363357:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik laat verpanding op een vordering aan toonder buiten beschouwing nu deze verpanding veel minder voorkomt dan verpanding van een vordering op naam.
Ik ga uit van een vordering op naam, nu hiervan in de overgrote meerderheid van de gevallen sprake zal zijn bij verrekening van een vordering met de stortingsplicht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vestiging van een pandrecht op een vordering op naam1 geschiedt op de wijze als is voorgeschreven voor de levering van een vordering op naam (3:236 lid 2 BW). Vestiging geschiedt immers op de wijze als is voorgeschreven voor de levering van het met pandrecht te belasten goed (3:98 BW). De levering van een vordering op naam2 geschiedt door een daartoe bestemde akte en mededeling daarvan aan de persoon tegen wie het recht kan worden uitgeoefend (3:94 lid 1 BW). Levering kan ook geschieden zonder deze mededeling mits deze rechten op het tijdstip van de levering reeds bestaan of rechtstreeks zullen worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. De levering kan dan niet worden tegengeworpen aan de schuldenaar dan na mededeling daarvan aan de schuldenaar door de vervreemder of de verkrijger. De verkrijger komt slechts derdenbescherming tegen de onbevoegdheid van de vervreemder in de zin van artikel 3:88 lid 1 BW toe indien de verkrijger te goeder trouw is op het moment van de mededeling aan de schuldenaar en de onbevoegdheid van de vervreemder voortvloeit uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder (3:94 lid 3 BW).
Voor verpanding van een vordering op naam geldt het ten aanzien van levering van een vordering op naam dienovereenkomstig. Er is dus een akte nodig tussen pandgever (de partij met een vordering op de vennootschap) en de pandhouder (meestal een crediteur van de pandgever) ter vestiging van het pandrecht en mededeling daarvan aan de debiteur (de vennootschap). Zo lang de mededeling van de vestiging van het pandrecht aan de vennootschap niet is geschied, is er weliswaar een rechtsgeldig tot stand gekomen pandrecht, maar kan het pandrecht niet worden tegengeworpen aan de vennootschap. Deze kan handelen als was er geen pandrecht, hetgeen gevolgen heeft voor de inningsbevoegdheid van de pandgever.