Omzetting van rechtspersonen
Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.4.2:5.4.2 Fiscale begeleiding van de in een BV omgezette coöperatie (standaardvoorwaarde 1 en 2)
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/5.4.2
5.4.2 Fiscale begeleiding van de in een BV omgezette coöperatie (standaardvoorwaarde 1 en 2)
Documentgegevens:
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494030:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
J.J.M. Jansen, Belastingheffing van coöperaties en haar leden (FM nr. 80), Deventer: Kluwer 1996, p. 182.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Standaardvoorwaarde 1 en 2 van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 zien op de omzettende rechtspersoon. Deze standvoorwaarden heb ik in algemene termen besproken in paragraaf 3.5.6.2 respectievelijk paragraaf 3.5.6.3 hiervóór.
Toegepast op de omzetting van een coöperatie in een BV komt standaardvoorwaarde 1 erop neer dat de BV met betrekking tot al hetgeen in het kader van de omzetting is verkregen in de plaats treedt van de coöperatie. De kern van de fiscale rechtsopvolging is dat de fiscale boekwaarden van de coöperatie worden doorgeschoven naar de BV. De stille en fiscale reserves alsmede de goodwill hoeven daardoor niet in de winst van de in een BV omgezette coöperatie te worden opgenomen. De suggestie van Jansen,1 dat ingeval de verlengstukwinstregeling van toepassing is op de coöperatie, in de voorwaarden rekening moet worden gehouden met de contante waarde van de vennootschapsbelasting die wordt bespaard als van de verlengstukwinstregeling gebruik zou worden gemaakt, vind ik sympathiek, maar ik betwijfel of de Staatssecretaris van Financiën bereid is om in verband hiermee de in een BV omgezette coöperatie een additionele aftrekpost toe te kennen. Met evenveel recht kan worden gezegd dat het niet kunnen toepassen van de verlengstukwinstregeling op de op het omzettingstijdstip aanwezige winstreserves, de ‘prijs’ is voor het geruisloos verlopen van de omzetting. Indien de omzetting van de coöperatie in een BV namelijk ruisend verloopt, bestaat wél recht op de aftrek van de op de voet van art. 28a lid 1 onderdeel b Wet VPB 1969 uitgekeerde verlengstukwinst (zie uitgebreid par. 5.3.1 hiervóór). Een min of vergelijkbare ‘robuuste regeling’, dat wil zeggen overkill incluis, geldt ten aanzien van een als moedermaatschappij van een fiscale eenheid deel uitmakende coöperatie op de voet van art. 15a Wet VPB 1969. Een dergelijke coöperatie is op grond van art. 15ac lid 3 Wet VPB 1969 vanaf de totstandkoming van de fiscale eenheid uitgesloten van de verlengstukwinstregeling.
Standaardvoorwaarde 2 houdt in dat de aanspraak op verliesverrekening van voor het omzettingstijdstip geleden verliezen door de coöperatie overgaat op de BV (carry-forward). Zoals gezegd in paragraaf 3.5.6.3, is voor de verrekening van een ná de omzetting behaald verlies met een vóór de omzetting behaalde winst (carry-back) op grond van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146, onderdeel 8 een afzonderlijk verzoek nodig, dat niet door de inspecteur mag worden afgedaan maar moet worden doorgestuurd naar de Staatssecretaris van Financiën.