Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/2.2.1
2.2.1 Wat eraan vooraf ging
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291075:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap.
ABC-rapport, p. 1. Zie ook: S.T.M. Beelen, Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (diss.), Deventer: Kluwer 2010, p. 24, B.G.A. Heijnen, Niet-betaling in de btw (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 56 (voetnoot 197) en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 28.
ABC-rapport, p. 3.
ABC-rapport, p. 36 en 68.
De werkgroep merkt in het ABC-rapport (terecht) op dat het ondenkbaar is dat een omzetbelasting aan alle voorwaarden volledig voldoet. Zij hebben derhalve gezocht naar een omzetbelasting die het dichtst bij de ideale omzetbelasting in de buurt komt (ABC-rapport, p. 25-26).
Een omzetbelasting is volgens de werkgroep financieel rationeel indien zij leidt tot stabiele omzetbelastinginkomsten tegen zo laag mogelijke inningskosten. In dit kader wordt opgemerkt dat hoe breder de grondslag is, hoe lager het tarief kan zijn. Het aantal vrijstellingen dient daarom tot een minimum te worden beperkt (ABC-rapport, p. 20-22).
Van neutraliteit in internationale concurrentieverhoudingen is volgens de werkgroep sprake indien de omzetbelasting geen invloed heeft op de prijsstructuur van de uitgevoerde goederen en de ingevoerde goederen hetzelfde worden belast als binnenlandse goederen. Neutraliteit in nationale concurrentieverhoudingen wordt bereikt indien de omzetbelasting verticale integratie van bedrijven tegengaat (d.w.z.: de omzetbelastingdruk mag niet afhangen van het aantal schakels in de productie- en distributieketen), vergelijkbare goederen eenzelfde omzetbelastingdruk kennen (lees: geen discriminatie), de omzetbelasting eenvoudig kan worden afgewenteld op de consument en de omzetbelasting voor het bedrijfsleven eenvoudig en stabiel is (ABC-rapport, p. 22-25).
Het ‘probleem’ van het effect van de omzetbelasting op de prijs van producten houdt volgens de werkgroep nauw verband met de mogelijkheid tot afwenteling van de omzetbelasting (ABC-rapport, p. 25).
Voor het niet hinderen van de productiviteit is het volgens de werkgroep essentieel dat de omzetbelasting vergelijkbare producten niet discrimineert en voor het bedrijfsleven een eenvoudige en stabiele belasting is (ABC-rapport, p. 25).
FFC-rapport 1962, p. 48.
FFC-rapport 1962, p. 51-52.
Op 25 maart 1957 hebben zes Europese landen, België, West-Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland, de EEG opgericht. Het EEG-verdrag, ook wel het ‘Verdrag van Rome’ genoemd, dat op 1 januari 1958 in werking is getreden had als doel het creëren van een gemeenschappelijke of interne markt door het mogelijk maken van een vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal en het waarborgen dat de mededinging die door deze gemeenschappelijke markt ontstaat niet wordt vervalst door maatregelen van fiscale of andere aard.1 Om dit doel te bereiken was harmonisatie van de omzetbelasting in de verschillende lidstaten noodzakelijk. Handhaving van de verschillen in de omzetbelastingstelsels van de lidstaten werd om de volgende redenen onwenselijk geacht:
vijf van de zes lidstaten kenden een cumulatief cascadestelsel (alleen Frankrijk kende een btw). Bij export van goederen naar een andere EEG-lidstaat of een derde land was het toegestaan de teruggaaf van omzetbelasting aan de hand van gemiddelde percentages per product of groep van producten vast te stellen, maar de vaststelling van deze percentages was ondoorzichtig en moeilijk te controleren;
een cumulatief cascadestelsel moedigt verticale integratie van bedrijven aan (hoe minder schakels in de productie- en distributieketen, hoe minder omzetbelasting wordt geheven);
het handhaven van fiscale grenzen belemmert het vrij verkeer; en
het handhaven van verschillende omzetbelastingsystemen zorgt voor complicaties in de internationale handel.2
In art. 99, eerste alinea EEG-verdrag werd de Europese Commissie daarom de opdracht gegeven te onderzoeken op welke wijze de wetgevingen van de verschillende lidstaten met betrekking tot de omzetbelasting in het belang van de gemeenschappelijke markt konden worden geharmoniseerd.
De Europese Commissie heeft zich met verve van die taak gekweten. In 1959 heeft de Europese Commissie de ‘Werkgroep Nr. 1’, bestaande uit medewerkers van de Europese Commissie en ambtenaren van de zes lidstaten, ingesteld die onderzoek moest doen naar de harmonisatie van de omzetbelasting binnen de EEG. Deze werkgroep heeft in 1960 drie subgroepen ingesteld: A, B en C. Subgroep A was belast met het onderzoek naar de fysieke controles aan de grenzen.3 Subgroepen B en C hadden tot taak de diverse omzetbelastingsystemen in kaart te brengen.4 De bevindingen van deze werkgroepen zijn neergelegd in het zogenoemde ‘ABC-rapport’. Volgens het ABC-rapport voldoet een btw het meest5 aan de vier criteria voor een ideale omzetbelasting:
financiële rationaliteit6;
neutraliteit in (inter)nationale concurrentieverhoudingen7;
een zo gering mogelijk effect op de prijs van producten8; en
een zo gering mogelijke invloed op de productiviteit9.
Daarnaast heeft de Europese Commissie een Fiscaal en Financieel Comité (FFC) samengesteld dat bestond uit wetenschappers afkomstig uit de zes lidstaten. Het FFC heeft onderzoek verricht op het gebied van belemmeringen van de gemeenschappelijke markt door de verschillen in de financiën van de lidstaten, waaronder de werking en de effecten van de verschillende belastingsystemen. De bevindingen van het FFC zijn opgenomen in het FFC-rapport dat naar de voorzitter van het FFC, Fritz Neumark, ook wel het ‘Neumark-rapport’ wordt genoemd. Hoewel dit rapport qua opzet aanzienlijk verschilt met het ABC-rapport, is ook hierin te lezen dat de invoering van een btw de voorkeur verdient.10 In het FFC-rapport wordt een stapsgewijze harmonisatie van de btw geadviseerd. De eerste stap is het bereiken van overeenstemming over de fundamentele principes die dienen als basis voor de btw die de lidstaten willen invoeren na de afschaffing van de omzetbelasting volgens het cumulatief cascadestelsel in de betreffende lidstaten. De tweede harmonisatiestap is het harmoniseren van de tarieven, vrijstellingen etc.11 Uit de Eerste en Tweede Richtlijn blijkt dat dit advies van het FFC ter harte is genomen.