Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/8.1
8.1 Inleiding
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248569:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2000/01, nr. 3, p. 29-30.
Het eerste rapport (Schram, Van Twist en Van der Steen 2016) is het resultaat van literatuurstudies en studies naar praktijkervaringen met de betrokkenheid van burgers bij auditfuncties. Voor het tweede rapport (Schram, Van Twist en Van der Steen 2017) is een vragenlijst gestuurd aan 8.249 raadsleden, die is ingevuld door 1.259 raadsleden, en hebben er ontmoetingen en interacties plaatsgevonden met betrokken partijen aan de hand van de ingevulde lijsten (‘survey feedback methode’). Er is over het onderwerp controle en verantwoording in 2018 nog een derde onderzoek verschenen van de hand van dezelfde onderzoekers (Schram, Van Twist en Van der Steen 2018). Daarin is aan de hand van een vragenlijst onder griffiers onderzoek gedaan naar specifiek de betrokkenheid van burgers als auditors, 2018.
Schram, Van Twist en Van der Steen 2016, p. 5.
Schram, Van Twist en Van der Steen 2016, p. 5.
Schram, Van Twist en Van der Steen 2017, p. 21-22; Schram, Van Twist en Van der Steen 2018, p. 22.
Het belang van de controlerende functie van de gemeenteraad is sinds de dualisering van het gemeentebestuur in 2002 flink toegenomen. Volgens het kabinet-Kok-II bood de functie de raad ‘bij uitstek de mogelijkheid om zijn centrale rol in het lokale politieke debat te profileren en hierdoor de belangstelling voor de gemeentepolitiek bij de burgers te herwinnen’.1 In dit hoofdstuk staat de vraag centraal hoe initiatieven die beogen een bijdrage te leveren aan de controle van het gemeentebestuur zich tot deze functie kunnen verhouden. Tot nu toe is aan deze vraag weinig aandacht besteed in de literatuur en in rapporten van onderzoeksinstanties. Een noemenswaardige uitzondering daarop vormen twee (relatief) recente rapporten van de Nederlandse School voor het Openbaar Bestuur (NSOB), waarin twee interessante observaties zijn gedaan.2 Allereerst stellen de onderzoekers dat er in de praktijk weinig mogelijkheden lijken te zijn voor burgers om bij te dragen aan controle en evaluatie van beleid.3 De onderzoekers opperen hiervoor drie verklaringen, waarvan ze zelf al opmerken dat het door het gebrek aan onderzoek slechts tentatieve verklaringen zijn. Ten eerste speelt mee dat burgers vooral aan de voorkant van het besluitvormingsproces betrokken willen zijn, vanuit de gedachte dat er op dat moment (meer) invloed kan worden uitgeoefend. Ten tweede houdt de gemeenteraad sterk vast aan haar politieke primaat op controle en evaluatie, wat ingegeven kan zijn door het idee dat burgers onvoldoende toegerust zouden zijn voor dergelijke betrokkenheid. Ten derde vergt een grotere burgerbetrokkenheid bij controle dat het gemeentebestuur zich kwetsbaar opstelt, wat tot spanningen en dilemma’s kan leiden.4 De tweede interessante observatie die volgt uit de rapporten van de NSOB is dat burgers misschien nog weinig bij controle en evaluatie van beleid betrokken worden, maar dat veel raadsleden hen in de toekomst wel graag meer zouden willen inzetten ter ondersteuning van controlerende taken.5
Aangezien de wil onder raadsleden aanwezig is om op het terrein van controle meer van burgerparticipatie gebruik te maken, is het des te belangrijker om de eerste observatie nog eens goed onder de loep te nemen. Zijn er juridische belemmeringen om initiatieven meer bij controle en evaluatie van beleid te betrekken? De NSOB schrijft dat de raad een politiek primaat op controle en evaluatie heeft, maar wat houdt dat precies in? Welke soorten controle zijn er op lokaal niveau en hoe verhouden die zich tot elkaar? De antwoorden op deze vragen vormen samen een beeld van controle op lokaal niveau waarin ook de plaats van de initiatieven bepaald kan worden. In paragraaf 8.2 zal eerst kort de juridische grondslag van controlebevoegdheden toegelicht worden. Vervolgens wordt in paragraaf 8.3 de ontwikkeling door de jaren heen geanalyseerd van verschillende soorten controle en de bijbehorende bevoegdheden. Daarbij zal onder andere beschreven worden welk doel de wetgever voor ogen had bij de introductie van controlebevoegdheden en hoe de verschillende geïnstitutionaliseerde controleurs op lokaal niveau zich tot elkaar verhouden. Aan de hand daarvan wordt in paragraaf 8.4 beschreven welke (juridische) ruimte er bestaat voor initiatieven om een bijdrage te leveren aan de controle van het gemeentebestuur. Paragraaf 8.5 sluit af met een conclusie.