Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/8.5:8.5 Conclusie
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/8.5
8.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248592:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de inleiding van dit hoofdstuk werden twee rapporten van de NSOB aangehaald waarin de onderzoekers concludeerden dat raadsleden enerzijds graag meer gebruik zouden willen maken van burgers ter ondersteuning van de controlerende functie, maar dat er anderzijds weinig mogelijkheden voor burgers lijken te zijn om daaraan een bijdrage te leveren. In dit hoofdstuk is onderzocht of de moeilijkheid om burgers bij de controle van het gemeentebestuur te betrekken deels het gevolg zou kunnen zijn van juridische belemmeringen. Uit het voorgaande blijkt dat het juridisch kader inderdaad bepaalde beperkingen stelt aan het betrekken van initiatieven bij de controle van het gemeentebestuur in een formele hoedanigheid. De belangrijkste beperking is dat het op dit moment voor geïnstitutionaliseerde controleurs niet mogelijk is om hun bevoegdheden te delegeren aan een ander orgaan. Daarom bestaat er op dit moment maar een manier om burgers controlebevoegdheden te laten uitoefenen, en dat is door hen te benoemen als leden van lokale rekenkamers. De plaatsen daarvoor zijn uiteraard beperkt, waardoor dit geen effectieve manier is om grote groepen burgers te laten participeren. Wanneer men initiatieven bij controle wil betrekken zonder hen formele bevoegdheden te geven, dan legt het juridisch kader evenwel geen beperkingen op. Het instellen van een Burgerjury zoals dat gebeurde in Rotterdam is zonder twijfel in overeenstemming met het recht. Het maakt ook niet uit welke soort controle men door initiatieven wil laten verrichten. Het verdient de voorkeur om rechtsstatelijke controle over te laten aan deskundigen en politieke controle aan democratisch gelegitimeerde organen, maar dit is niet verplicht. In het geval dat gemeentebesturen zich vrijwillig willen blootstellen aan controle door burgers, werpt het wettelijk kader dus geen barrières op.
Als men initiatieven op zo’n wijze bij de controle van het gemeentebestuur wil betrekken dat zij ook daadwerkelijk bevoegdheden kunnen uitoefenen, dan staan er twee opties open. De wetgever kan allereerst de beperkingen wegnemen die aan delegatie van controlebevoegdheden in de weg staan. Dat zou een in het geval van de politieke controlebevoegdheden van de raad een principiële wijziging van het wettelijk kader inhouden omdat deze bevoegdheden het gepolitiseerde karakter van de raad ondersteunen en hem in staat stellen middels controle het gemeentelijk beleid te bepalen. De wetgever kan er ook voor kiezen voor burgers een nieuwe positie met eigen controlebevoegdheden te creëren. Deze laatste optie is het meest in lijn met de ontwikkeling van het controlestelsel op lokaal niveau en is om verschillende redenen in de meeste gevallen geen bedreiging voor de rol die controle vervult bij het ondersteunen van de positie van de raad. Allereerst bestaan er al decennialang controleurs naast de raad die over eigen bevoegdheden beschikken. Daarnaast is het door de wetgever zeker sinds de dualisering geaccepteerd dat verschillende controleurs zich op elkaars terrein kunnen begeven. Doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoek kan bijvoorbeeld door maar liefst drie controleurs verricht worden, namelijk de raad, de rekenkamer en het college. Verder is controle door de raad door de jaren heen steeds meer gericht geraakt op politieke vormen van controle. Mocht men dus voor initiatieven een positie willen creëren met rechtsstatelijke controlebevoegdheden, dan botst dit niet met de rol die controle vervult bij het waarborgen van de beginselen van de gemeentelijke democratie. Ten slotte komen deze beginselen zelfs niet in gevaar wanneer men voor burgers een positie creëert met eigen politieke controlebevoegdheden die al dan niet overeenkomen met die van de raad. De raad heeft controlebevoegdheden om te verzekeren dat het college aan hem verantwoording aflegt over het gevoerde beleid en om hem in staat te stellen aan de hand van de controle te bepalen of het beleid moet worden bijgestuurd. Deze zaken worden in juridische zin niet doorkruist op het moment dat voor burgers een positie gecreëerd wordt met eigen politieke controlebevoegdheden. Zo’n positie zal allicht bepaalde gevolgen hebben en er zullen eventueel naar aanleiding van een oordeel beleidswijzigingen worden doorgevoerd, maar dat er beleidswijzigingen volgen op (niet-bindende) politieke oordelen is schering en inslag en is ook lang niet altijd een zaak van het recht. Wat wel een zaak van het recht is, is dat het juridisch kader op dit moment alleen aan de raad de mogelijkheid geeft om middels het dreigen met ontslag bij wethouders wijzigingen van het beleid af te dwingen. Een wijziging op dit punt zou een principiële wijziging betekenen van de manier waarop in het wettelijk kader op dit moment het eerste en tweede beginsel van de gemeentelijke democratie is gewaarborgd. Verder kent het juridisch kader op dit moment alleen praktische beperkingen om burgers meer te betrekken bij de controle van het gemeentebestuur.