Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/10.7
10.7 Honeywell
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454096:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
BVerfGE 126, 286 (6 juli 2010). Zie hierover onder meer: Gérard 2011; Payandeh 2011; Tomuschat 2013b.
Schönberger 2010, p. 1160.
BVerfGE 126, 304.
BVerfGE 126, 304.
BVerfGE 126, 303.
BVerfGE 126, 304.
De klager stond hierin niet alleen. Zo schreef voormalig president van het Bundesverfassungsgericht en oud-Bondspresident Roman Herzog in een reactie op de Mangoldzaak samen met mede-auteur Lüder Gerken een bijdrage in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 8 september 2008 (p. 8) onder de titel ‘Stoppt den Europäischen Gerichtshof’.
BVerfGE 126, 309. Het Bundesverfassungsgericht ging in dit kader onder meer in op de grenzen aan de rechtsvormende taak van de rechter en vroeg zich af of het Hof van Justitie die niet had overschreden (BVerfGE 126, 306). Het Bundesverfassungsgericht benadrukte daarbij dat een rechter leemtes mag opvullen, maar geen geheel nieuwe voorschriften mag creëren, zonder aan te sluiten bij bestaande wetgeving. Tegelijkertijd zou men echter de vraag kunnen stellen of het Bundesverfassungsgericht die grenzen met zijn jurisprudentie over Europese integratie en de vergaande interpretatie van het democratiebeginsel zelf ook niet tot het uiterste oprekt, waardoor sprake zou kunnen zijn van het overschrijden van bevoegdheden door het Duitse constitutionele hof. Hoewel voor deze jurisprudentielijn met de artikelen 20 en 38 duidelijke aanknopingspunten in het Grundgesetz te vinden zijn, is de invulling die het Bundesverfassungsgericht daaraan geeft, niet bepaald onomstreden. De overwegingen van het Bundesverfassungsgericht over de grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter in de richting van het Hof van Justitie, zijn in dat opzicht opmerkelijk.
BVerfGE 126, 318.
BVerfGE 126, 323.
BVerfGE 126, 324.
BVerfGE 126, 331.
BVerfGE 126, 330.
BVerfGE 126, 331.
Zie hierover hoofdstuk 8 en 9 van dit proefschrift. Zie over de gevolgen hiervan voor het Duitse constitutionele recht het landenrapport (Mair & Kröger 2014) van het onderzoeksproject Constitutional Change through Euro Crisis Law van het European University Institute (EUI), te raadplegen via: https://eurocrisislaw.eui.eu/germany. Zie ook: Herrmann 2014; Fasone 2015; Piecha 2016, p. 212-267, 279-288; Loscher 2014; Gröpl 2013.
Het Bundesverfassungsgericht verbond aan de ultra vires-toets belangrijke nadere voorwaarden in het arrest Honeywell van 6 juli 2010.1 Het oordeel van het Hof, dat het de bevoegdheid heeft om te beoordelen of Europese instellingen hun bevoegdheden niet overschrijden, bleef in stand. Het daadwerkelijk aannemen van een dergelijke overschrijding werd met de in het Honeywell-arrest gestelde voorwaarden echter minder waarschijnlijk. Slechts een jaar na het Lissabon-Urteil beperkte het Bundesverfassungsgericht deze eigen toetsingsbevoegdheid dus aanzienlijk.2
Volgens het Hof kan de ultra vires-toets alleen worden overwogen als een schending van bevoegdheden door Europese instellingen voldoende gekwalificeerd is.3 Een handeling moet kennelijk in strijd zijn met bevoegdheden, en moet significant zijn in de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten.4 Verder benadrukte het Bundesverfassungsgericht dat de ultra virestoets alleen mag worden uitgevoerd op een Europarechtsfreundliche manier.5 Het Hof van Justitie moet daarom via de prejudiciële procedure in de gelegenheid zijn gesteld om een oordeel over het Unierecht te geven, voordat het Bundesverfassungsgericht tot de conclusie kan komen dat er sprake is van een ultra vires-handeling.6 Het Bundesverfassungsgericht paste de prejudiciële procedure voor het eerst toe in de latere OMT-zaak, die hieronder nader aan de orde komt.
In Honeywell draaide het om de beantwoording van prejudiciële vragen gesteld door een lagere Duitse rechter aan het Hof van Justitie in de eerdere Mangold-zaak. Volgens de klager was het Hof van Justitie met die beantwoording ultra vires gegaan, omdat dat Hof het Unierecht te ruim uitlegde.7 Het Bundesverfassungsgericht oordeelde echter dat dat niet het geval was.8 Er was geen sprake van een kennelijke schending, die leidde tot een significante verschuiving in de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten, aldus het Hof.
Dit oordeel was echter niet unaniem. In de dissenting opinion bij het Honeywell-arrest verdedigde rechter Landau het standpunt dat de meerderheid van het Bundesverfassungsgericht buitensporige eisen stelt aan de ultra virestoets.9 Hiermee week het Hof, volgens Landau zonder goede redenen, af van het Lissabon-Urteil. Door de voorwaarde te stellen dat er sprake moet zijn van een significante verschuiving in bevoegdheden, negeerde het Bundesverfassungsgericht het feit dat ook kleine verschuivingen of uitbreidingen grote gevolgen kunnen hebben, aldus Landau.10 Ook noemde Landau het problematisch dat het Bundesverfassungsgericht op papier het recht verdedigde om de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten te beschermen, zonder dit in de praktijk effectief toe te passen.11 Dat deed volgens Landau denken aan de situatie van Solange II, waarin het Hof ten aanzien van grondrechten besloot van zijn toetsingsbevoegdheid van (secundair) Unierecht aan de Duitse Grondwet geen gebruik meer te maken. Landau oordeelde trouwens wel dat de ultra vires-toets op coöperatieve wijze en met een open houding richting het Europese recht moest worden uitgeoefend.12 Dat was volgens hem mogelijk geweest als de lagere rechter in deze zaak een prejudiciële vraag had gesteld.13 Het daadwerkelijk aannemen van een schending van bevoegdheden door het Bundesverfassungsgericht moest in ieder geval, ook volgens Landau, een laatste redmiddel blijven.14
Met de criteria die het Bundesverfassungsgericht in Honeywell aan de ultra vires-toets stelde, werd de constatering van datzelfde Hof dat een Europese instelling daadwerkelijk zijn bevoegdheden heeft overschreden minder waarschijnlijk. Ondertussen raakte de wereld verzeild in een diepe economische crisis. Ter bestrijding daarvan kwamen de Europese lidstaten op korte termijn vele verstrekkende maatregelen overeen.15 Ondanks de strenge eisen die het Duitse constitutionele hof in Honeywell stelde aan de ultra vires-toets, hielden velen steeds opnieuw de adem in op het moment dat het Bundesverfassungsgericht met zijn oordelen kwam over deze ontwikkelingen.