Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.2.2.2
3.2.2.2 Het wetsontwerp van 1825
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702009:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Besluiten van 15 december 1816, Stb. 47, 25 december 1816, Stb. 67 en 30 december 1819, Stb. 61.
De verklaring voor het uitblijven van een regeling is te vinden in de omstandigheid dat er een geschil ontstond over wáár de regeling thuishoorde: in het BW of in een speciale onteigeningswet. Zie: Jonckers Nieboer 1931, p. 58.
Voor een volledig overzicht van de wet, op- en aanmerkingen incluis: Van den Honert 1841, p. 24-42. Enkele dagen tevoren haalde de beoogde nieuwe titel betreffende eigendom in het Burgerlijk Wetboek de eindstreep ook niet.
De Grondwet verlangde namelijk dat onteigening en schadeloosstelling hand in hand dienden te gaan.
Het wetsvoorstel ging niet gepaard met een ‘echte’ Memorie van Toelichting.
Nadat de Nederlanden zich weer van Frankrijk hadden afgescheiden, bleef de onteigeningswet van 1810 voorlopig van kracht.1 Dat deze regeling in stand bleef, was vermoedelijk tegen de bedoeling van de Nederlandse grondwetgever, die in art. 164 Gw 1815 aan de wetgever de opdracht had gegeven om de gevallen, waarin onteigend kon worden, uitdrukkelijk bij wet te bepalen.2 Uiteindelijk werd er eerst bij Koninklijke Boodschap van 11 december 1825 een ontwerp-onteigeningswet ingediend. Bij een ontwerp zou het overigens ook blijven, want het wetsvoorstel kwam niet door de Tweede Kamer.3 Het voornaamste punt waarover de Kamer viel, was de mogelijkheid dat de betaling van de schadeloosstelling een jaar kon worden opgeschoven (art. 11). Zulks zou zich niet verhouden met art. 164 van de Grondwet.4
Qua deskundigenadvisering knoopte het wetsvoorstel aan bij de Franse wet: de rechtbank bepaalt de schadeloosstelling (art. 7). Zij kan zich daartoe laten voorlichten door één of drie deskundigen, wier rapport slechts strekt tot inlichting van de rechtbank (art. 8). In de toelichtende memorie 5 wordt geschreven dat de rechter alle mogelijke ruimte heeft om de schadeloosstelling te bepalen en “tot zijne inlichting, zelfs zaakkundige schatters kan hooren”. Blijkens deze bewoordingen droeg de regering deskundigenadvisering hoog in het vaandel, maar benadrukte zij tegelijkertijd het belang van een zelfstandige rechterlijke oordeelsvorming.