Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/13.2
13.2 De motivering van de wetgever
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367790:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pari. Gesch. Boek 3, p. 919.
Pari. Gesch. Inv., p. 1407.
Pari. Gesch. Inv., p. 1409.
Toegevoegde noot: ik noem niet in de hoofdtekst — omdat het niet het punt betreft dat ik wil maken de wat mij betreft ongelukkige verwijzing naar het vlot lopend rechtsverkeer. In het eerste deel van dit boek (§ 8.6) schreef ik dat het belang van een vlot lopend rechtsverkeer in het kader van de bevrijdende verjaring een ondergeschikt motief is. Het betrekt een soort algemeen belang in de gedachtevorming, terwijl in het kader van de bevrijdende verjaring bijna uitsluitend de belangen van de betrokken partijen ertoe doen.
Pari. Gesch. Inv., p. 1408.
Met zijn subjectieve recht uiteraard, niet met het objectieve recht. Rechtsdwaling behoort niet aan de aanvang van subjectieve termijnen in de weg te staan en doet dat ook niet; zie nader § 21.2.2.4.
De in de inleiding geuite inhoudelijke punten van twijfel over de structuur van ons verjaringsrecht, tezamen met de hier gesignaleerde afwijking van de ons omringende landen, maakt benieuwd naar de overwegingen van de wetgever om toch voor het huidige systeem te kiezen. In de parlementaire geschiedenis is het volgende te lezen:
"De regeringscommissaris zet desgevraagd nader uiteen dat op het gebied van de verjaring verschillende stelsels denkbaar zijn. In het huidige stelsel is de algemene termijn lang (30 jaar, wat in het Nieuw BW 20 jaar wordt), en is er een reeks kortere termijnen voor speciale gevallen. Denkbaar is ook het omgekeerde stelsel te volgen, waarbij de algemene termijn kort is en men voor de speciale gevallen waarin dit wenselijk is, een langere termijn opneemt. Een voorstel voor een verdrag dat in die richting ging is destijds in de Raad van Europa gedaan maar gestrand, hetgeen begrijpelijk is daar een zo totale ommezwaai voor de wetgever moeilijk is te overzien. Zou men nu de algemene termijn op tien jaar bepalen, dan zou dat neerkomen op een tussenoplossing, waarin enerzijds kortere termijnen wenselijk zouden blijven en anderzijds niet goed te vermijden zou zijn voor een aantal gevallen (...) een langere termijn op te nemen. Dit zou een veel gecompliceerder verjaringssysteem opleveren. Het verdient daarom de voorkeur uit te gaan van een lange algemene termijn (...), maar uitbreiding te geven aan de bijzondere gevallen waarvoor een korte termijn geldt, zoals de termijn van drie jaren [aanvankelijk was het voornemen de subjectieve termijn op drie, in plaats van op vijf jaar te bepalen; JLS], van de artikelen 3.11.12a en 3.11.13. De regeringscommissaris zegt toe titel 3.11 met het oog hierop nog eens te zullen bezien."1
De regeringscommissaris geeft gevolg aan zijn toezegging titel 3.11 nog eens te bezien met het oog op de mogelijkheid uitbreiding te geven aan de bijzondere gevallen waarvoor een korte termijn geldt. In de M.v.T. Inv. staat: "In de nieuwe opzet van deze artikelen is (...) getracht te komen tot een uitbreiding van de reeds opgenomen korte verjaringstermijnen tot alle gebieden waar zulks om praktische redenen wenselijk is (...)."2 De regeringscommissaris presenteert vervolgens de bijzondere termijnen die wij thans kennen. Hij vervolgt in toelichtende zin:
"Gekozen is (...) voor een tussenstelsel. Voor de belangrijke groepen van rechtsvorderingen van de artikelen 3.11.11-13aa geldt de boven aangegeven termijn van vijf jaren, die ten opzichte van het huidige recht een aanzienlijke bekorting betekent zonder nochtans voor de praktijk al te knellend te worden. Buiten het terrein van die artikelen blijft de algemene termijn van twintig jaren gelden die trouwens ten opzichte van de huidige termijn van dertig jaren eveneens een bekorting oplevert. (...)"3
Met name de volgende twee aspecten zijn opvallend.
Ten eerste. De wetgever ziet de mogelijkheid van het opnemen van één algemeen geldende korte termijn met voor bijzondere gevallen een lange termijn — de oplossing die nu dus rechtsvergelijkend bezien de standaard is — wel onder ogen, maar zegt ter verwerping daarvan niet meer dan dat systeem ook in de Raad van Europa heeft voorgelegen en dat het stranden begrijpelijk is omdat "een zo totale ommezwaai voor de wetgever moeilijk is te overzien". Deze overweging is geplaatst in de tijd wel begrijpelijk: omarming van het 'moderne' systeem met een korte subjectieve termijn als hoofdregel betekende toen een revolutie en met revoluties moet de wetgever voorzichtig zijn, met name als de gevolgen onvoldoende te overzien zijn. Destijds werd in de literatuur de aanvaarding van een algemene korte termijn ook niet breed bepleit. Tegenwoordig echter, nu als gezegd een korte subjectieve termijn de standaard is geworden, maakt het argument van een ommezwaai met onoverzienbare gevolgen niet al te veel indruk meer.
Ten tweede. De wetgever spreekt steeds over de lengte van termijnen — of ze korter moeten of juist langer, dat de vijfjaarstermijn ten opzichte van de oude dertigjaarstermijn een enorme bekorting betekent, dat de twintigjaarstermijn ook al een bekorting betekent ten opzichte van de dertigjaarstermijn, enzovoorts. Nu is de lengte van een verjaringstermijn belangrijk, maar even belangrijk is zijn aanvangsmoment. En aan dat laatste besteedt de wetgever vrijwel geen woord. Zijn stilzwijgen op dat punt geeft aanleiding tot twijfels.
De mededeling, bijvoorbeeld, dat de vijfjaarstermijn ten opzichte van de dertigjaarstermijn een enorme bekorting betekent, is zonder de toevoeging dat het hier om een heel ander soort termijn gaat, hinderlijk incompleet. De vijfjaarstermijn vangt immers pas aan, kort gezegd, als de crediteur in staat is tot juridische actie. Voor de dertigjaarstermijn gold dat niet. De bekorting is dus betrekkelijk, in die zin dat de vijfjaarstermijn heel goed lang na de gebeurtenis waaruit de vordering voortspruit kan aanvangen, zodat de verjaringstermijn gemeten vanaf het 'oude' aanvangsmoment veel langer dan vijf jaar kan zijn. Net zo lang als, of nog langer zelfs dan, de oude termijn.
Zodoende ontstaat de indruk dat de wetgever het afgewogen karakter van een korte subjectieve termijn onvoldoende recht doet. Nergens lijkt belangrijke betekenis te worden toegekend aan het feit dat de vijfjaarstermijn dan wel kort is, maar dat hij ook pas aanvangt als van de crediteur verwacht kan worden dat hij tot juridische actie komt, zodat de termijn moeilijk tot jegens de crediteur onbillijke oplossingen kan leiden. Zo motiveert hij afwijzing van bekorting van alle bevrijdende verjaringstermijnen als volgt — ik plaats cijfertjes in de tekst ter referentie:
"[T]egen een drastische bekorting van de termijn voor alle gevallen van extinctieve verjaring [bestaan] bezwaren.
(...) Van vorderingen uit het erfrecht in het algemeen kan worden gezegd dat het belang van een vlot lopend rechtsverkeer daarbij geen grote rol speelt.4 Het kan bovendien gebeuren dat de gerechtigde pas na lange tijd van zijn rechten kennis krijgt. (...) (1)
Een belangrijk punt is voorts dat in het nieuwe wetboek aan de extinctieve verjaring (...) tevens de verkrijgende verjaring door een bezitter te kwader trouw uit hoofde van afdeling 3.4.3 is gekoppeld. Met name als het om onroerende zaken gaat, ligt een termijn van minder dan twintig jaren voor een zodanige verjaring niet voor de hand. Hetzelfde geldt bij voorbeeld bij gestolen of verduisterde roerende zaken. Men denke aan het in de praktijk niet onbelangrijke geval van kunstdiefstallen. Het gaat niet aan dat bij voorbeeld een bekend schilderij dat wordt gestolen, na vijf of tien jaar weer veilig zou kunnen worden verhandeld. (2)
Ten slotte verdient aandacht dat moeilijk is vast te stellen in hoeverre een korte verjaringstermijn steeds tot redelijke resultaten zou leiden, ook voor rechtsvorderingen uit bronnen die thans in de praktijk geen grote rol spelen en die daarom ook des te moeilijker zijn te overzien.(3)"5
Het besef van de aard van de subjectieve termijn had in dit citaat op een aantal punten bepaald nadrukkelijker aan de dag gelegd kunnen worden:
Ad (1) Dat het kan gebeuren dat de gerechtigde pas na lange tijd van zijn recht kennis krijgt, is nu juist in het aanvangsmoment van een goed geformuleerde subjectieve vijfjaarstermijn verdisconteerd. Natuurlijk moet een erfrechtelijk vordering niet verjaren voordat de gerechtigde weet dat hij dat recht heeft, maar een subjectieve termijn zou dat ook niet bewerkstelligen; de termijn begint pas te lopen zodra hij bekend raakt met zijn recht.6
Ad (2) De koppeling van de verkrijgende verjaring aan de bevrijdende verjaring lijkt een wat mager motief om een algemene verkorting van de termijnen in het kader van de bevrijdende verjaring af te wijzen. Een bijzondere bepaling die de kruising van bevrijdende en verkrijgende verjaring regelt, had wellicht uitkomst kunnen bieden.
Maar waar het hier met name om gaat, opnieuw: de vijfjaarstermijn zou, mits goed geformuleerd, helemaal niet tot gevolg hebben dat een gestolen schilderij na vijf jaar weer veilig kan worden verhandeld. Formuleert men de vijfjaarstermijn juist, dan zal die tot de conclusie voeren dat de revindicatie tegen de dief nog niet verjaard is, omdat de eigenaar niet in staat was die revindicatie in te stellen (bij gebreke van bekendheid met de persoon van de dief of diens rechtsopvolger).
Ad (3) De vraag of korte termijnen in de praktijk wel steeds tot redelijke resultaten zullen leiden, wekt de indruk dat niet wordt beseft dat in de subjectieve termijn een redelijkheidstoets besloten ligt. De termijn vangt immers pas aan als van de crediteur redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij tot actie komt.
Ik meen derhalve in het citaat passages te zien die het karakter van de subjectieve termijn lijken te miskennen. In ieder geval zien wij geen passages die het karakter van de subjectieve termijn expliciet onderkennen.
Vanwege inhoudelijke twijfels over het thans geldende regime en gelet op het recht in de landen om ons heen, onderzocht ik in deze paragraaf de motieven van de wetgever om te komen tot het huidige stelsel. De conclusie luidt dat zijn keuze in de tijd geplaatst begrijpelijk is, maar dat naar de huidige stand van zaken zijn argumenten eigenlijk niet meer overtuigen. Met name zijn beweegredenen om de korte, subjectieve termijn niet tot hoofdregel te verheffen, schijnen gebrekkig te zijn.