Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.6
IV.5.6 Schade
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460316:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een rechterlijk bevel is schade echter niet vereist. Zie par. IV.6.2.
Over het schadevereiste van artikel 6:162 BW, zie uitvoerig: Hartlief e.a. 2018, par. 9.3; Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:95 BW; en met betrekking tot milieuschade: Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, VIII.6.2 en VIII.6.5; Bauw & Brans 2003, par. 2.1.
Zie uitvoerig, Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:95 BW; Asser/Sieburgh 6-II 2017/13 e.v. Voorbeelden van de verschillende milieuschadesoorten kunnen worden gevonden in Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, VIII.6.5.1.
Over deze laatste categorie, zie Lindenbergh, in: GS Schadevergoeding, art. 6:106 BW.
Mocht dit vaker gebeuren, en/of er is vrees voor herhaling, dan hoeven omwonenden dit niet met lede ogen aan te zien. Zij kunnen bijvoorbeeld via een rechterlijk bevel vorderen dat voorzieningen worden getroffen om nieuwe lekken te voorkomen, en/of een last onder dwangsom verbinden aan toekomstige schendingen van de norm. Zie hieromtrent par IV.6. Verder kunnen er ook strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke sancties worden verbonden aan de normschending.
Bauw, in: GS Onrechtmatige daad, VIII.6.2.1.
Deze indeling werd ook gehanteerd in Bauw & Brans 2003, par. 2.1. Bauw verwijst voorts naar Putter & Verschuuren 1995, p. 96 e.v.
Bij een vordering tot schadevergoeding,1 is voor de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende niet voldoende dat de leidinggevende toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens de eiser; er moet bovendien sprake zijn van schade.2 Onder schade verstaat artikel 6:95 BW ‘vermogensschade of ander nadeel’.3 In het kader van het milieuaansprakelijkheidsrecht kan hierbij in de eerste plaats worden gedacht aan letselschade en overlijdensschade, bijvoorbeeld door de uitstoot van giftige stoffen. Er kan ook sprake zijn van zaakschade, bijvoorbeeld door bodemverontreiniging. Verder is het ook mogelijk dat een onrechtmatige milieuaantasting zuivere vermogensschade aanricht, zoals wanneer een visbedrijf zijn werkzaamheden niet kan verrichten door ernstige waterverontreiniging. Ten slotte kan een milieuovertreding ook immateriële schade in de zin van artikel 6:106 BW tot gevolg hebben, bijvoorbeeld als iemand psychische klachten heeft door geluidshinder van nabijgelegen bedrijven.4
Het voorbeeld dat ik eerder gaf in paragraaf IV.5.3.2 onder B) van het methaanlek in de chemische fabriek, kan de werking van het schadevereiste van artikel 6:162 BW illustreren. Doordat de drijver van de chemische fabriek het methaanlek niet heeft gemeld handelt de drijver in strijd met artikel 17.2 Wm, een bepaling die mede strekt tot de bescherming van omwonenden. De drijver handelt daarom wel onrechtmatig jegens de omwonenden, maar is niet schadevergoedingsplichtig. Methaan is weliswaar slecht voor het klimaat omdat het bijdraagt aan het versterkte broeikasgaseffect, maar – als het niet tot ontploffing komt – zijn er geen directe schadelijke effecten voor de omwonenden. Daarom zal een eventuele vordering tot schadevergoeding van de omwonenden stranden op een gebrek aan schade.5
Bauw definieert milieuschade als ‘schade veroorzaakt door een aantasting van het milieu’.6 Het begrip ‘aantasting’ moet daarbij worden opgevat als vermindering van de kwaliteit van het milieu (‘environmental degradation’). Hij wijst erop dat in het aansprakelijkheidsrecht milieuschade pas relevant is, wanneer deze aantasting het gevolg is van menselijk handelen.
Vervolgens onderscheidt Bauw twee categorieën: 1) schade die ontstaat aan het milieu en 2) schade die is ontstaan via het milieu.7 Bij de eerste categorie gaat het om de aantasting of kwaliteitsvermindering van het milieu als zodanig, zonder dat dit in alle gevallen direct tot schadelijke gevolgen leidt voor (rechts)personen. Of sprake is van een aantasting kan worden afgemeten aan de normen die aan de kwaliteit van het milieu of specifieke onderdelen daarvan, zoals water, bodem of lucht, worden gesteld. Er kan bijvoorbeeld worden gesproken van schade aan het milieu wanneer een wettelijke grenswaarde of depositiewaarde wordt overschreden. Civielrechtelijke vorderingen ter voorkoming van dergelijke schade of ter verhaal van herstelkosten zijn voorbehouden aan de overheid en aan belangorganisaties die opkomen voor het milieu. Emotionele schade van burgers naar aanleiding van schade aan het milieu is als zodanig geen vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW en ook geen ander nadeel in de zin van artikel 6:106 BW, en komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
De tweede categorie betreft de schade die is aangericht aan personen of zaken via het milieu. Dergelijke schade geldt ‘gewoon’ als vermogensschade in de zin van artikel 6:96 BW, en daarom is er geen beletsel voor de rechthebbende om vorderingen in te stellen ter voorkoming van de schade of ter verhaal van de herstelkosten jegens de veroorzaker. Overigens moet nog wel in de omvangsfase worden vastgesteld of alle schadelijke gevolgen die zich via het milieu hebben gemanifesteerd, in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de gedaagde.