De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.2.3:2.2.3 Ad 2) Vermogensrechtelijk voordeel
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.2.3
2.2.3 Ad 2) Vermogensrechtelijk voordeel
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS391763:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Grooten 1929, p. 4.
HR (Derde Kamer) 6 juni 1956, NJ 1957/333 (Societas leonina).
HR (Derde Kamer) 6 juni 1956, NJ 1957/333 (Societas leonina).
HR (Derde Kamer) 6 juni 1956, NJ 1957/333 (Societas leonina).
Vgl. HR (Derde kamer) 6 juni 1956, NJ 1957/333 (Societas leonina).
HR 10 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2069, r.o. 4.6, NJ 1996/692, m.nt. W.M. Kleijn.
Hof Amsterdam 5 november 1954, NJ 1955/383.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De samenwerking moet gericht zijn op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten. Of zoals Grooten het formuleerde: ‘Bij ondernemingen, welke het eigendom eener V.o.F. zijn, is in allen geval steeds het streven naar inkomensvorming aanwezig.’1 Het vermogensrechtelijke voordeel mag niet slechts een toevallige gunstige bijkomstigheid zijn, maar moet het oogmerk van de samenwerking zijn. Een winstoogmerk is niet vereist; ook vermijding van verlies en besparing van kosten zijn ‘vermogensrechtelijk’. Het door samenwerking nastreven van louter ideëel voordeel is niet vermogensrechtelijk en daarom onvoldoende.
Art. 7A:1672 lid 1 BW bepaalt dat het beding dat alle voordelen slechts aan één vennoot toekomen nietig is. Deze bepaling beoogt de ‘societas leonina’, ofwel de overeenkomst waarbij een van de vennoten misbruik maakt van omstandigheden als afhankelijkheid of onervarenheid van zijn medevennoten en hen beweegt tot het aangaan van een uitsluitend tot zijn voordeel strekkende overeenkomst, te voorkomen.2 Vaak zal echter niet alleen het beding, maar de gehele vennootschapsovereenkomst ongeldig zijn.3 Dit laatste ligt voor de hand als de gehele overeenkomst, gelet op inhoud en strekking, in onverbrekelijk verband staat met het nietige beding. Bij vennootschapsovereenkomsten met een beperkt aantal vennoten zal een onverbrekelijk verband al snel aanwezig worden geacht.4 Ongeldigheid van de vennootschapsovereenkomst hoeft niet te betekenen dat er helemaal geen overeenkomst tot stand is gekomen; heeft degene die niet in de winst deelt bijvoorbeeld het oogmerk om de andere vennoot te bevoordelen, dan kan sprake zijn van een schenkingsovereenkomst.5Art. 7A:1672 lid 1 BW, dat alleen noemt het beding dat alle voordelen aan één vennoot toekomen, wordt ruimer uitgelegd. In een geval waarin vier partijen een overeenkomst hadden gesloten die zij kwalificeerden als VOF en op grond waarvan alle voordelen toekwamen aan drie van de vier vennoten, verklaarde de Hoge Raad de vennootschapsovereenkomst nietig op grond van art. 7A:1672 BW.6
‘Delen’ betekent niet ‘uitdelen’; iedere vennoot moet een aandeel hebben in de winst, maar de winst hoeft niet daadwerkelijk uitgekeerd te worden. Het voordeel mag wel uitgekeerd worden. Dit onderscheidt de vennootschap van de vereniging, waarbij winst niet verdeeld mag worden onder de leden. Verder is van belang dat alle vennoten recht hebben op de winst. Dat de winst in feite aan een ieder toekomt, is niet voldoende. Niet als VOF kwalificeert de overeenkomst waarbij een nieuwe ‘vennoot’ geen aandeel in de winst krijgt, maar een vast bedrag per maand onafhankelijk van de vraag of er winst wordt gemaakt en hoeveel.7