Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.10.5
9.3.10.5 Het tenietgaan van een 403-vordering en het tenietgaan van een wilsrecht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648758:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wibier 2008.
Het tenietgaan van verbintenissen is wettelijk gereguleerd en daarmee beperkt, zie bijvoorbeeld Van Oostrom-Streep 2006, p. 131: “Voor het tenietgaan van verbintenissen zijn in de wet weer geheel eigen regelingen opgenomen. Hoofdregel is dat een verbintenis tenietgaat door nakoming, onder welk begrip een groot aantal wijzen van voldoening is begrepen. Daarnaast zijn verrekening, vermenging, kwijtschelding, vernietiging en afstand wijzen waarop de verbintenis kan eindigen. Bij duurverbintenissen kan hier nog de opzegging aan worden toegevoegd.”. Een systematische behandeling geeft het BW echter niet, zie Asser/Sieburgh 6-I 2016/8: “Het BW bevat geen systematische behandeling van de oorzaken van tenietgaan van een verbintenis.” Om dit probleem te omzeilen, zou mogelijk moeten worden betoogd dat de verbintenis niet tenietgaat, maar dat het een onderdeel van de verbintenis (de 403-vordering) zelf is. De vordering kan alleen worden geïnd door de rechthebbenden van de vordering op de dochtervennootschap. Tenietgaan is dan niet nodig om te voorkomen dat een niet-rechthebbende de 403-vordering bij de moedervennootschap incasseert.
Hetgeen dan niet leidt tot onverschuldigde betaling en hetgeen wel leidt tot het tenietgaan van de hoofdvordering op grond van 6:7 lid 2 BW.
Zie Hof Amsterdam (OK) 11 juli 2013, JOR 2013/250 en HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361. Zie echter HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255.
Zie HR 3 april 2015, HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255. Hetzelfde geldt bij verjaring. De verschillende vorderingsrechten kunnen afzonderlijk van elkaar verjaren. Zie Rb. ’s-Gravenhage 5 juli 2006, JOR 2007/53, r.o. 3.5. Daarbij zij wel opgemerkt dat verjaring niet het vorderingsrecht teniet laat gaan, maar de rechtsvordering.
Betoogd kan worden dat het wilsrecht dat een schuldeiser verkrijgt een wilsrecht is met als inhoud dat hij de consoliderende rechtspersoon kan aanspreken zolang hij de hoedanigheid van schuldeiser heeft. Het aanbod in de 403-verklaring richt zich tot de schuldeiser die een vordering op de vrijgestelde rechtspersoon heeft en niet tot een voormalig schuldeiser. Daarmee hoeft het wilsrecht niet teniet te gaan. De voormalig schuldeiser kan er simpelweg geen beroep meer op doen.
Is het wilsrecht reeds uitgeoefend dan is de 403-vordering reeds ontstaan. Een eenmaal bestaand vorderingsrecht verdwijnt niet zomaar. Zoals hiervoor aangegeven, geeft Wibier er binnen zijn wilsrechttheorie de voorkeur aan om de 403-vordering als niet overdraagbaar te kwalificeren. Niet duidelijk is of Wibier de vorderingen tevens kwalificeert als niet vatbaar voor overgang. De oplossing die Wibier heeft bedacht voor de reeds ontstane 403-vordering is niet dat deze overgaat op een verkrijgende schuldeiser, maar verwordt tot een vordering ‘die niet meer kan worden ingesteld’:1
“De verklaring moet worden geïnterpreteerd in het licht van de doelstelling die Holding N.V. daarmee nastreeft. Dat is dat de aansprakelijkstelling de mogelijkheid opent gebruik te maken van de vrijstelling. Dan is het voldoende wanneer de 403-verklaring een (niet overdraagbare) vordering oplevert die in beginsel slechts kan worden ingesteld door de schuldeiser van Werkmaatschappij B.V. Het is niet de bedoeling (en het zou onnodig zijn) dat er vorderingsrechten op Holding N.V. worden gecreëerd die vervolgens een zelfstandig vermogensrechtelijk bestaan gaan leiden omdat Holding N.V. dan meer zou doen dan nodig is om het gebrek aan transparantie omtrent de financiële positie van Werkmaatschappij B.V. tegen te gaan.”
Er is geen grondslag die het tenietgaan van de 403-vordering teweegbrengt.2
Wibier lijkt te betogen dat de rechtsvordering, die aan de 403-vordering is gekoppeld, niet meer kan worden ingesteld door een voormalig schuldeiser. Het verval van de rechtsvordering die aan de 403-vordering is gekoppeld, wordt via de verbintenisrechtelijke weg geconstrueerd. Wanneer een partij niet meer de kwaliteit van schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon bezit, verliest deze schuldeiser de rechtsvordering die was gekoppeld aan de 403-vordering. Er blijft weliswaar een niet rechtens afdwingbare vordering over maar deze kan nog steeds door de consoliderende rechtspersoon worden voldaan waardoor ook de hoofdvordering tenietgaat.3
Het betoog van Wibier dat een vordering alleen kan worden ingesteld door een schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon, is mogelijk verdedigbaar.4 Maar de jurisprudentie is niet eenduidig. Zo bleek bij de situatie waarin de schuldeiser geen vordering meer had op de vrijgestelde rechtspersoon vanwege een getroffen schikking, de vordering op de consoliderende rechtspersoon nog gewoon bestond en kon worden ingeroepen.5