Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/3.2.1
3.2.1 Veiligheid als kernmotief
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620282:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Boutellier 2002, p. 13.
Garland 2001. Dit boek heeft veel lof geoogst, zie bijv. Daems 2009, p. 12. Kanttekeningen die zijn gemaakt bij de analyse van Garland (zie bijv. Tonry 2004, p. 55), richten zich minder op de beschrijving van bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen die zich feitelijk hebben voorgedaan waar het mij hier om te doen is, dan op de verklaringen die Garland geeft voor het optreden van bepaalde ontwikkelingen in de strafrechtspleging.
Boutellier 2002, p. 2-3.
Wesselink, Van Dissel & Van Rhee 2007, p. 202.
Buruma 2005, p. 14 en p. 46.
Tonry 2004, p. 23.
Vgl. Buruma 2004a.
Boutellier 2011, p. 92.
Vgl. Rozemond 2006, p. 161.
Zie nader par. 8.2.4 en Corstens & Kuiper 2013b.
Dreissen 2003, p. 116.
Het waarborgen van veiligheid is – onder meer aangewakkerd door de opgekomen terrorismedreiging1 – een centrale factor geworden in het denken over en vormgeven van de huidige westerse samenleving.2 Boutellier spreekt van een ‘allesdoordringend motief’.3 De overheid moet gevaren onderkennen en risico’s beheersen en inkapselen en zoveel mogelijk garanderen dat burgers zich veilig kunnen voelen en dat zij gevrijwaard blijven van criminaliteit.4 Het strafrecht wordt in dit verband als een belangrijk middel beschouwd. Strafbaarstellingen en strafvorderlijke bevoegdheden zijn sterk uitgebreid. Buruma waarschuwt ervoor dat de overheid met haar neiging om naar het strafrecht te grijpen, lijkt te beloven dat zij de door het publiek verlangde veiligheid kan garanderen en daarmee meer belooft dan zij kan waarmaken, hetgeen het gevoel van crisis en mislukking van de overheid versterkt telkens als de werkelijkheid dit door de overheid geschapen beeld verstoort.5
De nadruk op veiligheid leidt ertoe dat waar een afweging nodig is tussen het belang van het waarborgen van de veiligheid en andere belangen, zoals privacybelangen, deze laatste gemakkelijker het onderspit delven.6 Veel nieuwe wetgeving getuigt van deze verschuiving in de waardering van concurrerende belangen.7 ‘De betekenis van privacy is voor burgers sterk veranderd. Veel van de controlemaatregelen worden niet ervaren als ondermijning van privacy, maar als een soort geruststelling’, zo duidt Boutellier de onderliggende ontwikkeling.8
Deze ontwikkeling lijkt door te werken in de belangenafweging van de rechter (in hoogste instantie de Hoge Raad) bij het bepalen van de omvang van de controle en de reactie op vormverzuimen. Ook in dat verband moet vaak het belang van privacybescherming worden afgewogen tegen het belang van beveiliging van de samenleving, dat gediend wordt door berechting van de verdachte.9 De aan deze herwaardering van privacy en toegenomen behoefte aan beveiliging te ontlenen verwachting dat aan privacybescherming minder vaak een doorslaggevende betekenis wordt toegekend, lijkt bewaarheid te worden in verscheidene arresten van de Hoge Raad waarin pakweg de laatste vijftien jaar steeds meer ruimte is geboden af te zien van bewijsuitsluiting van met schending van art. 8 EVRM verkregen bewijsmateriaal. Ook bij andere afwegingen omtrent de aan vormfouten te verbinden rechtsgevolgen kan het toegenomen gewicht dat wordt toegekend aan het waarborgen van veiligheid een rol spelen, bijvoorbeeld als de RC moet beslissen of een vormfout tot invrijheidstelling van de verdachte moet leiden. Of bij de vraag of de 552a-rechter gevaarlijke maar onrechtmatig inbeslaggenomen spullen terug zou moeten geven. Ook kan hier worden genoemd de in de rechtspraak ontwikkelde mogelijkheid om bij de toepassing van art. 359a Sv acht te slaan op de ernst van het feit. Deze niet in art. 359a Sv genoemde maar in de jurisprudentie opgekomen beoordelingsfactor vergroot de ruimte die nodig is om onevenredigheid tussen vormfout en rechtsgevolg te voorkomen.10 Dreissen betoogt dat ‘de wijze waarop het leerstuk van onrechtmatig verkregen bewijs zich heeft ontwikkeld illustratief is voor de opkomst van het veiligheidsdenken in de Nederlandse strafvordering. Binnen dat veiligheidsdenken past het niet om de overheid te zeer te binden aan rechtsregels indien dit in de concrete strafzaak tot ongewenste vrijspraken leidt’.11