Deze termijn geldt ook voor zaken die door de enkelvoudige kamer van het hof behandeld worden. Zie: HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6737.
HR, 22-10-2024, nr. 22/02408
ECLI:NL:HR:2024:1408
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-10-2024
- Zaaknummer
22/02408
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1408, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:932
ECLI:NL:PHR:2024:932, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1408
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0262
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Schuldwitwassen van geldbedrag, art. 420quater.1.b Sr. Aanwezigheidsrecht. Dagvaardingstermijn, art. 413.1 Sv. Had hof (enkelvoudige kamer) onderzoek ttz. o.g.v. art. 413.1 jo. art. 265.3 Sv moeten schorsen? Aan oproeping van verdachte om te verschijnen op (nadere) tz. in hoger beroep van 25-5-2022 is akte van uitreiking gehecht. Volgens deze akte is die oproeping op 19-5-2022 uitgereikt op wijze zoals is voorgeschreven in art. 36e.2.a Sv (aan huisgenoot van verdachte op zijn BRP-adres). Termijn van 10 dagen die in art. 413.1 (eerste volzin) Sv is voorgeschreven, is dus niet in acht genomen. Stukken houden niets in waaruit kan volgen dat verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte. Volgens p-v van tz. in h.b. is verdachte niet verschenen. Een door hem ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman is ook niet verschenen (alleen niet gemachtigde raadsman). Daarom had hof het onderzoek ttz. o.g.v. art. 413 jo. 265.3 Sv moeten schorsen. Hof heeft onderzoek ttz. echter voortgezet nadat tegen niet-verschenen verdachte verstek was verleend. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02408
Datum 22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2022, nummer 22-002679-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Arkesteijn, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
2.2
Aan de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2022 is een akte van uitreiking gehecht. Volgens deze akte is die oproeping op 19 mei 2022 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in artikel 36e lid 2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De termijn van tien dagen die in artikel 413 lid 1, eerste volzin, Sv is voorgeschreven, is dus niet in acht genomen.
2.3
De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting is de verdachte niet verschenen. Een door hem op grond van artikel 279 Sv gemachtigde raadsman is ook niet verschenen. Daarom had het hof het onderzoek op de terechtzitting op grond van artikel 413 in samenhang met artikel 265 lid 3 Sv moeten schorsen. Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting echter voortgezet nadat tegen de niet-verschenen verdachte verstek was verleend. Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Schuldwitwassen (art. 420quater Sr). Middel klaagt terecht over de niet-inachtneming van de dagvaardingstermijn in hoger beroep (art. 413 lid 1 jo. 265 lid 3 Sv). Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02408
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 25 mei 2022 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2021 bevestigd. In dit vonnis was de verdachte wegens schuldwitwassen veroordeeld tot een geldboete van 400 euro, subsidiair 8 dagen hechtenis. Daarnaast had de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander zoals nader in de aantekening mondeling vonnis omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Arkesteijn, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op het niet in acht nemen van de in art. 413 lid 1 Sv voorgeschreven dagvaardingstermijn.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat de in art. 413 lid 1 Sv voorgeschreven termijn tussen de dag waarop de dagvaarding is betekend en de dag van de terechtzitting niet in acht is genomen, zodat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen.
2.2
Uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep op 19 mei 2022 op het BRP-adres van de verdachte ( [a-straat 1] te [geboorteplaats] ) is uitgereikt aan [betrokkene 1] , die heeft beloofd de brief onmiddellijk aan de geadresseerde te geven. De zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 25 mei 2022. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de verdachte niet op de zitting is verschenen. De raadsman van de verdachte, mr. R. van den Boogert, is wel verschenen en heeft ter terechtzitting medegedeeld dat hij niet door de verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft vervolgens verstek verleend tegen de niet-verschenen verdachte.
2.3
Art. 413 lid 1 Sv schrijft voor dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en de dag van de terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen moet zijn verlopen.1.Wanneer deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, de verdachte niet is verschenen en de verdachte evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van deze termijn, moet de rechter het onderzoek schorsen. Dit blijkt uit art. 265 lid 3 Sv, welke bepaling in art. 413 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard.
2.4
Tussen de dag van de rechtsgeldige uitreiking van de dagvaarding aan [betrokkene 1] op 19 mei 2022 en de dag van de terechtzitting op 25 mei 2022 zijn geen tien dagen verstreken, zoals voorgeschreven in art. 413 lid 1 Sv. De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en uit de stukken van het geding blijkt niet dat de verdachte heeft ingestemd met een verkorting van de dagvaardingstermijn. Het hof had het onderzoek ter terechtzitting dus moeten schorsen. Dit zou slechts anders zijn geweest indien de raadsman op de voet van art. 279 Sv door de verdachte tot de verdediging zou zijn gemachtigd. In dat geval hoeft de rechter het onderzoek niet te schorsen tenzij de gemachtigde raadsman uitstel verzoekt op de grond dat de verdachte ter terechtzitting aanwezig wenst te zijn en/of op de grond dat uitstel is geboden in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging. Een verzoek tot uitstel vanwege de uitoefening van het aanwezigheidsrecht kan niet worden afgewezen. Een verzoek tot uitstel in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging kan slechts worden afgewezen als de rechtbank van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad als het onderzoek wordt voortgezet.2.Maar zoals gezegd, deze situatie doet zich in onderhavige zaak niet voor.
3. Slotsom
3.1
Het middel is terecht voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024
Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154.