RvdW 2024/1036:Schuldwitwassen van geldbedrag, art. 420quater lid 1 sub b Sr. Aanwezigheidsrecht. Dagvaardingstermijn, art. 413 lid 1 Sv. Had hof (enkelvoudige kamer) onderzoek ttz. o.g.v. art. 413 lid 1 jo. art. 265 lid 3 Sv moeten schorsen? Aan oproeping van verdachte om te verschijnen op (nadere) tz. in hoger beroep van 25 mei 2022 is akte van uitreiking gehecht. Volgens deze akte is die oproeping op 19 mei 2022 uitgereikt op wijze zoals is voorgeschreven in art. 36e lid 2 sub a Sv (aan huisgenoot van verdachte op zijn BRP-adres). Termijn van 10 dagen die in art. 413 lid 1 (eerste volzin) Sv is voorgeschreven, is dus niet in acht genomen. Stukken houden niets in waaruit kan volgen dat verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van verdachte. Volgens p-v van tz. in h.b. is verdachte niet verschenen. Een door hem ex art. 279 Sv gemachtigde raadsman is ook niet verschenen (alleen niet gemachtigde raadsman). Daarom had hof het onderzoek ttz. o.g.v. art. 413 jo. art. 265 lid 3 Sv moeten schorsen. Hof heeft onderzoek ttz. echter voortgezet nadat tegen niet-verschenen verdachte verstek was verleend. Volgt vernietiging en terugwijzing.