25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/23.1:23.1 Inleiding
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/23.1
23.1 Inleiding
Documentgegevens:
prof. mr. T. Barkhuysen, mr. dr. M.L. van Emmerik, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. T. Barkhuysen, mr. dr. M.L. van Emmerik
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. B.W.N. de Waard (m.m.v. J.B.J.M. ten Berge), Leerstukken van bestuursprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bestuursprocesrecht, zoals dat is neergelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is – vergeleken met veel andere onderwerpen die deze jubilerende wet regelt – de afgelopen 25 jaar niet bepaald een rustig bezit geweest. Dit betreft zowel de wettekst als de jurisprudentie. Afgezien van de nodige detailwijzigingen in het kader van fine tuning valt toch wel het meest op dat het bestuursprocesrecht steeds meer gericht is geraakt op effectieve geschilbeslechting en dat mede in dat verband een verschuiving heeft plaatsgevonden van een recours objectif naar een recours subjectif.1 Qua wetswijzigingen springen in het oog de invoering van de bestuurlijke lus, het verruimen van de mogelijkheden om gebreken in besluiten te passeren en de introductie van het relativiteitsvereiste. Maar ook vers in het geheugen liggen de fuikendiscussie, het al dan niet balanceren boven nul als de rechter een besluit toetst (de rechter als scheids- of als grensrechter), het aanscherpen van de eisen voor belanghebbendheid van algemeen belang organisaties en ga zo maar door. Grosso modo kan worden vastgesteld dat van een bestuursprocesrecht dat de burger in een procedure tegen de overheid bij de hand neemt in het kader van ongelijkheidscompensatie, we nu terecht zijn gekomen in een veel zakelijker procesrechtelijk speelveld waarop de burger de nodige risico's loopt wanneer hij niet uit zichzelf de goede stappen zet. Voor dat nieuwe evenwicht valt vanuit doelmatigheidsperspectief en ook vanuit de belangen van andere betrokken partijen het nodige te zeggen, zij het dat het gebrek aan verplichte rechtsbijstand steeds meer gaat wringen.
Tegelijk roept deze ontwikkeling de vraag op of er gegeven dit nieuwe speelveld wel in alle gevallen wordt voldaan aan de eisen die voortvloeien uit de equality of arms regel van artikel 6 EVRM (ook neergelegd in artikel 47 EU Grondrechtenhandvest). Zou er op onderdelen of in ieder geval in concrete gevallen niet een correctie van de huidige balans nodig zijn om daarmee een gelijk speelveld tussen in een procedure betrokken partijen te garanderen? En is het daarbij niet noodzakelijk het idee van ongelijkheidscompensatie weer iets meer op de voorgrond te plaatsen? Een en ander natuurlijk zoveel mogelijk met behoud van de vele efficiencyvoordelen van het huidige procesrecht.
In deze korte bijdrage proberen wij daarvoor op hoofdlijnen een voorzet te doen, zodat de Awb ook de komende jaren qua procesrecht vooruit kan en op voldoende legitimatie kan rekenen. Daartoe schetsen we eerst heel kort om welke equality eisen het gaat (onder 2). Dan bezien we welke knelpunten er bestaan als het gaat om het via de Awb accommoderen van deze eisen en hoe deze mogelijk weg te nemen (onder 3). Onder 4 volgt een kort slotwoord.