Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.2.2.18
6.2.2.18 Het verzoek van Eminence bij ASMI
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649664:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
De website was www.asmivaluecreation.com.
En eerder in 2012 al van 52% naar 40%. Zie bijv. J. Dobber, ‘ASMI verkoopt toch deel belang in Aziatisch zusterbedrijf’, FD, 24 april 2017 (https://fd.nl/beurs/1199121/asmi-verkoopt-toch-deel-belang-aziatisch-zusterbedrijf-psd1cawL2QtZ).
Dat er ter vergadering actief naar werd gestreefd om het door Eminence aangedragen punt zo snel mogelijk te behandelen blijkt ook wel uit de verslaggeving over de vergadering in het FD: “Voorzitter Jan Lobbezoo zorgde er effectief voor dat de ruimte voor aandeelhouders om al te veel in te gaan op de argumenten van Eminence beperkt bleef. Met het oog op de tijd drong hij al aan op ‘borrel en bitterballen’ toen er nog mensen bij de microfoon stonden. Een aandeelhouder die het bestuur wilde aansporen de aandelen ASM PT niet te verkopen, maar te wachten op een bod op het geheel, moest daardoor de rondvraag aangrijpen om zijn punt te maken.” (S. Olsthoorn & J. Dobber, ‘Weinig steun voor ASMI-activist Eminence’, FD, 22 mei 2017, te raadplegen via https://fd.nl/beurs/1203189/weinig-steun-voor-asmi-activist-eminence-msd1cawL2QtZ).
Het (vooralsnog) laatste agenderingsverzoek dat bij ASMI is ingediend, dateert uit 2017. Het betreft het verzoek van Eminence Capital. Het verzoek is gebaseerd op art. 25.3 van de statuten van ASMI en art. 2:114a BW, en luidt om in de agenda van de algemene vergadering d.d. 22 mei 2017 als punt ter bespreking op te nemen:
“Discussion of the policy of the Management Board and the Supervisory Board in relation to ASMI’s shareholding in ASM Pacific in 2016 and thereafter and the risks and benefits of a full divesture of it.”
Dit agenderingsverzoek borduurt aldus voort op de in 2006 en 2008 bij ASMI ingediende agenderingsverzoeken van respectievelijk Melon en Hermes, zie par. 6.2.2.1 en par. 6.2.2.6. De vennootschap heeft het punt als punt 13 (het laatste punt voor de rondvraag) geagendeerd. De door Eminence verstrekte toelichting is integraal in de agenda opgenomen, en de vennootschap heeft haar reactie op het punt daaronder geplaatst.1 Voorts heeft Eminence voorafgaand aan de algemene vergadering een website opgetuigd waarop onder meer een presentatie was te vinden waarin wordt uitgelegd waarom ASMI tot 40% meer waard zou zijn als het bedrijf het belang in ASM PT geheel of grotendeels afstoot.2 Ter vergadering heeft Eminence deze boodschap herhaald. Daarna hebben twee bestuurders van ASMI de algemene vergadering voorgehouden waarom het bestuur van mening is dat de verkoop van de aandelen ASM PT niet in het belang van ASMI is.
Overigens had ASMI in de periode tussen de indiening van het agenderingsverzoek en het plaatsvinden van de algemene vergadering haar belang in ASM PT wel teruggeschroefd van 40% naar 34%.3 Ter vergadering ontkende de CEO met klem dat dit iets te maken heeft gehad met het agenderingsverzoek van Eminence.4
Uit de notulen blijkt dat na de presentatie van het bestuur een aandeelhouder aan Eminence vragen wilde stellen over het op initiatief van Eminence geagendeerde punt 13. De voorzitter van de algemene vergadering staat dit niet toe. Ik citeer:
“Ik zou willen voorstellen dat u dat buiten de vergadering doet. Dit agendapunt hebben wij op de agenda gezet op verzoek van Eminence maar in de discussie over het gevoerde beleid van de Raad van Bestuur en Commissarissen met betrekking tot onze deelneming in PT, hebt u kunnen horen dat er verscheidene opinies zijn op dit punt, oftewel in het Engels, we agree to disagree en ik zou eigenlijk willen voorstellen, tenzij er nog punten zijn die ons zeer steken, dat wij dit agendapunt gewoon afsluiten, ook gezien de tijd. Het is twintig voor zes.”5
Mijns inziens staat deze gang van zaken op gespannen voet met het bepaalde in bpb. 4.1.5 NCGC. Hierin is bepaald dat als een aandeelhouder een onderwerp op de agenda heeft laten plaatsen, hij dit ter vergadering toelicht en zo nodig vragen hierover beantwoordt. Of de beantwoording van een aan de aandeelhouder gestelde vraag nodig is, staat mijns inziens niet ter vrije beoordeling van de voorzitter. Als een vergadergerechtigde een vraag stelt aan de aandeelhouder die deed agenderen, is de noodzaak van de beantwoording daarvan gegeven. De voorzitter kan wel, binnen het kader van art. 2:8 BW, verlangen dat de aandeelhouder kernachtig antwoordt.6
Overigens blijkt uit de notulen ook dat, nu een stemming over het door Eminence aangedragen punt niet mogelijk was, Eminence haar ongenoegen uitte door tegen de decharge van de bestuurders en de commissarissen te stemmen, en bij de behandeling van die punten ook met zoveel woorden aangaf dat de stem tegen decharge was ingegeven door het handelen van het bestuur en de rvc omtrent de deelneming in ASM PT. Veel bijval kreeg Eminence niet. In totaal stemde ongeveer 16% van de aanwezigen tegen de decharge van bestuurders en commissarissen. Van die 16% werd 9,6% vertegenwoordigd door Eminence.
Na afloop van de algemene vergadering zette Eminence haar campagne door. In een brief aan de aandeelhouders van ASM International deed zij de volgende oproep:
“Accordingly, we are reaching out to our fellow ASMI shareholders to encourage each of you to contact the Company Boards to express your strong dissatisfaction with their continuing inaction in this area and to demand the full divestiture of the ASMPT stake. As owners of ASMI, it will be impossible for the Company Boards to ignore our collective voice.”
Het is niet duidelijk of, en zo ja in welke mate aan deze oproep gehoor is gegeven. Op 2 november 2017 maakt ASM International bekend nog eens 9% van haar aandelen in ASM PT te verkopen. Na de verkoop houdt zij nog ongeveer 25% van de aandelen in ASM PT.7