Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.1:17.1 De functie van het vertrouwen: principieel, praktisch, ordenend
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.1
17.1 De functie van het vertrouwen: principieel, praktisch, ordenend
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455788:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de dimensie van de functie van het vertrouwen, dus de rol die het vertrouwen speelt en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan, te weten als principieel, praktisch of ordenend beginsel, kan niet direct worden gesproken van versterking of verzwakking van de werking van het vertrouwen op elk van de onderdelen van deze dimensie. Eerder zal sprake zijn van een wijziging in de functie van het vertrouwen, die op zichzelf nog niet op een sterker of zwakker werkend vertrouwen duidt, maar wel daarin kan worden vertaald. Een voorbeeld kan dit verhelderen: een zekere bewaking van de soevereiniteit is een principiële functie van het vertrouwensbeginsel. Door vertrouwen aan te nemen mengt de ene staat zich niet in de aangelegenheden van de andere staat. Nu kan worden verdedigd dat binnen de EU de lidstaten in grotere mate hun soevereiniteit hebben ingeleverd dan in een klassiek-volkenrechtelijk verband, zodat deze principiële functie van het vertrouwensbeginsel naar de achtergrond verdwijnt. Daarmee is niet gezegd dat het vertrouwensbeginsel in normatief-beperkende zin (namelijk beperking van toetsing van een verzoek of bevel) daardoor ook minder sterk werkt. Het heeft er in de praktijk van de EU alle schijn van dat de praktische of ordenende functie, zoals met name de wens tot soepelere samenwerking of concentratie van toetsing van die samenwerking, sterker op de voorgrond treedt, zodat de normatief-beperkende werking van het vertrouwensbeginsel gelijk blijft of zelfs sterker wordt. Anders gezegd: het veranderde kader van de EU leidt tot minder toetsing, niet op principiële gronden, maar op praktische en ordenende gronden. Het vertrouwensbeginsel werkt daardoor sterker, maar dan we tegen een andere achtergrond. Ook daarbij dient echter onderscheid te worden gemaakt tussen een wenselijke versterking in normatief opzicht en een (door de lidstaten of instellingen) gewenste versterking ervan. Dit valt grotendeels samen met het onderscheid tussen het daadwerkelijk bestaan van vertrouwen, dan is een sterkere werking wenselijk, en de (politieke) aanname van vertrouwen, welke aanname samenhangt met de (politieke) wens om de toetsing van samenwerking te verminderen.
17.1.1 Principieel vertrouwen17.1.2 Praktisch vertrouwen17.1.3 Ordenend vertrouwen