Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/3.1
3.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301673:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over andere rechten dan subjectieve vermogensrechten bijvoorbeeld Martin 1993, p. 29 e.v.
Zie voor een overzicht van de (Anglo-) Amerikaanse en een deel van de Europese literatuur over dit onderwerp Frydrych 2017, p. 148-157.
Zie over de rol die Hohfeld in de Amerikaanse doctrine inneemt Postema 2011, p. 98 e.v.
In de Verenigde Staten is het werk van Hohfeld gemeengoed, vooral in de literatuur over de aard van rechten. Zie bijvoorbeeld Steiner 1994, p. 59: “[t]he beginning of wisdom ... is widely agreed to be the classification of juridical positions developed by Wesley Newcomb Hohfeld” en Rainbolt 2006, p. 73: “Any serious theory of rights must come to terms with Hohfeld”. Het Belgische ‘Algemeen deel’ is vanaf de eerste druk op Hohfeld’s model gebaseerd; zie van Gerven 1969, inmiddels van Gerven & Lierman 2010.
Kramer 2000, p. 7; Fiorito 2010, p. 272.
Kramer 2000, p. 35. Over de voordelen van efficiënte theorievorming, zie Smith 2012b, p. 1695.
Schlag 2015, p. 218.
Spaarzame uitzonderingen vormen Brouwer 2007, p. 22-26 en de korte bespreking in Nieuwenhuis 2007, p. 51-53.
In de (rechts)economische literatuur wordt meestal niet geschreven over subjectieve (goederenrechtelijke) rechten, maar over ‘entitlements’ (aanspraken). Daarmee worden de eerste vier posities uit het begrippenkader bedoeld; zie bijvoorbeeld het gebruik van de term bij Merrill & Smith 2011, p. 96; Smith 2018, p. 12; Merrill & Smith 2001a, p. 381. Naast alle literatuur die in dit onderzoek wordt behandeld is de term ‘entitlements’ ook van belang voor de literatuur naar aanleiding van Calabresi & Melamed 1972 over het beschermen van aanspraken.
65. In dit deel van het boek probeer ik een theoretisch kader te formuleren om de omvang van aanspraken op schaarse middelen binnen het vermogensrecht te kunnen analyseren. Het vermogensrecht maakt gebruik van juridische begrippen om de werkelijkheid in te vangen. Juristen spreken niet over ‘schaarse middelen’, maar maken gebruik van ‘rechten’ – zoals een ‘eigendomsrecht’, ‘afhankelijk recht’, ‘nevenrecht’ of ‘kwalitatief recht’ – om datzelfde doel te bereiken. Een vereiste voor dit theoretisch kader is dus dat het mogelijk is om ‘rechten’ te analyseren. Dat werpt de vraag op: wat is een recht? Een simpele vraag, die – zelfs als we ons beperken tot de subjectieve vermogensrechten – niet eenvoudig te beantwoorden is.1 In de rechtsliteratuur is de vraag op veel verschillende wijzen beantwoord.2 Het antwoord dat in de Amerikaanse doctrine de meeste navolging heeft gekregen, is dat van W.N. Hohfeld.3 Het door hem ontwikkelde model om rechten weer te geven, wordt in buitenlandse literatuur vaak als uitgangspunt genomen voor het beschrijven van het (geldende) recht.4 Er zijn twee redenen waarom ik ervoor gekozen heb om in dit onderzoek het model van Hohfeld te gebruiken om te laten zien wat subjectieve rechten zijn. Ten eerste is het model dat Hohfeld heeft ontwikkeld waardenneutraal. Het is een manier om het vermogensrecht te beschrijven ongeacht met welk doel het wordt ingezet.5 Ten tweede is het efficiënt. Met een beperkt aantal begrippen kunnen alle vermogensrechtelijke rechtsposities worden weergegeven.6 Het model is daardoor goed geschikt als basis voor (rechts-) economische analyse, waardoor ik het kan gebruiken in de hoofdstukken 5, 6 en 7.7
66. Ik bespreek in dit hoofdstuk het begrippenkader dat Hohfeld introduceerde om rechten mee te omschrijven (paragraaf 3.2) en het model dat hij ontwikkelde om te laten zien hoe de gebruikte begrippen zich tot elkaar verhouden (paragraaf 3.3). Het model maakt duidelijk dat de juridische positie van de ene partij gevolgen heeft voor de juridische positie van de andere partij. Deze twee ‘abstracte’ onderdelen van het betoog van Hohfeld zijn redelijk onomstreden. In de literatuur bestaat wel veel verschil van mening over de precieze toepassing van het model. Ik heb drie discussiepunten geselecteerd die van belang zijn voor de verdere ontwikkeling van het theoretisch kader van dit onderzoek (paragraaf 3.4). Ik bespreek het model van Hohfeld redelijk uitvoerig, omdat het in de Nederlandse literatuur nauwelijks aan de orde is gekomen.8 Een meer uitgebreide bespreking kan van nut zijn voor de lezer die zich verder zou willen verdiepen in de (Anglo-) Amerikaanse en/of (rechts)economische literatuur.9 Om de vluchtige lezer tegemoet te komen, heb ik de belangrijkste onderdelen van het model samengevat en voorzien van een schema (paragraaf 3.5). Lezing daarvan volstaat om dit hoofdstuk op hoofdlijnen te begrijpen.