Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.10
7.10 Gewone rechtsmiddelen II: de schorsende werking en de intrekking van rechtsmiddelen
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie verder Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 416-419.
Uit HR 6 augustus 2002, LJN AE6175 volgt dat uit de in art. 453 lid 1 Sv voorkomende woorden `uiterlijk tot den aanvang der behandeling' wat betreft de cassatieprocedure aldus moeten worden begrepen dat het cassatieberoep kan worden ingetrokken totdat zich een van de onder art. 438 lid 2 Sv aangeduide proceshandelingen heeft voorgedaan.
Zie HR 6 augustus 2002, LJN AE6175. In dit arrest werd het ingetrokken cassatieberoep van de rol gevoerd.
HR 10 januari 2006, LJN AU7082.
Art. 257g lid 2 Sv, dat ziet op de tenuitvoerlegging van strafbeschikkingen, luidt:
`Door verzet tegen de strafbeschikking wordt de tenuitvoerlegging geschorst of opgeschort, tenzij naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat het verzet na het verstrijken van de daarvoor gestelde termijn is gedaan. Bij de behandeling van het verzet kan de rechter op verzoek van de verdachte bepalen dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking dient te worden geschorst of opgeschort. De schorsing of opschorting van de tenuitvoerlegging neemt een einde indien het verzet niet ontvankelijk wordt verklaard.'
Voor het hoger beroep en het cassatieberoep geldt evenzeer dat zij de tenuitvoerlegging (in beginsel) opschorten (art. 557 Sv). In het strafrecht is dus de hoofdregel precies omgekeerd aan die in het bestuursrecht, waarin in beginsel juist geen schorsende werking uitgaat van bezwaar en (hoger) beroep (art. 6:16 Awb). De schorsende werking van rechtsmiddelen kan wel van haar scherpste randen worden ontdaan. Ten eerste kan het OM overgaan tot strafexecutie indien het van oordeel is dat het rechtsmiddel te laat is ingesteld (art. 257g lid 2 en 557 lid 3 Sv). Ten tweede kan een voorlopige hechtenis voortduren als een vrijheidsbenemende straf is opgelegd (art. 66 lid 2 en 75 Sv).1
In art. 453 Sv is voorzien in de mogelijkheid een rechtsmiddel in te trekken. Uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep of bezwaarschrift kan degene door wie het rechtsmiddel is aangewend, dat intrekken (lid 1).2 In het geval de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld, is de advocaat-generaal tevens tot intrekking van het hoger beroep bevoegd (lid 2). Ook kan afstand worden gedaan van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden (lid 3). In art. 454 Sv is neergelegd dat intrekking en afstand plaatshebben door een verklaring af te leggen op de griffie van het gerecht dat een beslissing heeft genomen waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Ook ingeval van tijdige intrekking wordt uitspraak gedaan, inhoudende dat er sprake is van een rechtsgeldige intrekking.3 Indien het enige cassatiemiddel wordt ingetrokken dan wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.4 Voor de strafbeschikking geldt ingevolge art. 257e Sv evenzeer dat afstand kan plaatshebben en dat het verzet kan worden ingetrokken. Uit art. 257e lid 1 Sv volgt dat verzet niet kan worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen of indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe. Ingevolge het zevende lid kan degene die het verzet heeft gedaan dat uiterlijk intrekken tot de aanvang van de behandeling van het verzet ter terechtzitting. Deze intrekking brengt mede afstand van de bevoegdheid om het rechtsmiddel opnieuw aan te wenden.