Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.3.4
5.3.4 Art. 10, lid 1, onderdeel j, Wet VPB 1969
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS303196:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan in het oude art. 10b wordt in art. 10, lid 1, onderdeel j, onder aandelen niet mede begrepen lidmaatschapsrechten en bewijzen van deelgerechtigdheid. Molenaars constateert daarom dat de laatstgenoemde bepaling kennelijk geen betrekking heeft op coöperaties en fondsen voor gemene rekening. M.L. Molenaars, ‘De behandeling van hybride leningen en convertibles onder het wetsvoorstel Werken aan winst’, WFR 2006/6686, p. 1077.
Art. 10, lid 1, onderdeel j, heeft eveneens betrekking op daarmee gelijk te stellen rechten. Deze terminologie is ontleend aan het oude art. 9, lid 1, onderdeel h. Het oude art. 10b sloot tevens rechten waarvan de waarde geheel of gedeeltelijk afhankelijk was van het resultaat van de onderneming dan wel van de waarde van de aandelen in de belastingplichtige (of een verbonden lichaam) uit van aftrek. Deze uitbreiding komt in art. 10, lid 1, onderdeel j, niet langer voor.
Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 3 (MvT), p. 48.
In deze zin Q.W.J.C.H. Kok, ‘Enkele aspecten van het wetsvoorstel “Werken aan winst”’, FED 17 augustus 2006, nr. 88, p. 13. Overigens verdedigt Kok dat dit betoog ook opgaat ten aanzien van converteerbare obligaties. Hij verwijst daarvoor naar Q.W.J.C.H. Kok, ‘Warrantleningen, convertibles en LIONS-leningen in de vennootschapsbelasting vanaf 2001’, MBB 2000, nr. 10, p. 351-352.
De regeling voor converteerbare leningen en warrantleningen die vanaf 2001 was opgenomen in art. 10b Wet VPB 1969, is met ingang van 2007 vervallen. Vanaf 2007 heeft deze bepaling betrekking op leningen tussen gelieerde lichamen zonder vaste aflossingsdatum of een looptijd van meer dan tien jaar en een vergoeding die in belangrijke mate onzakelijk is.
Converteerbare leningen en warrantleningen vallen vanaf 2007 onder het bereik van art. 10, lid 1, onderdeel j, Wet VPB 1969. Dit voorschrift heeft betrekking op het bepalen van de winst van een vennootschap met een geheel of ten dele in aandelen verdeeld kapitaal.1 Op grond van deze bepaling komt de uitreiking of de toekenning van aandelen in dat kapitaal of in het kapitaal van een verbonden lichaam niet in aftrek bij het bepalen van de winst. Bovendien is de toekenning van rechten om aandelen in dat kapitaal of in het kapitaal van een verbonden lichaam te verwerven evenmin aftrekbaar.2 Met deze bepaling is beoogd om terug te keren naar de situatie die bestond onder BNB 1956/244. Dit heeft voor converteerbare leningen tot gevolg dat de aftrekbaarheid beperkt blijft tot de periodieke verschuldigde rente.3
Is het voor de toepassing van art. 10, lid 1, onderdeel j, nodig om ten aanzien van warrantleningen onderscheid te maken tussen de parivariant en de disagiovariant? Wordt de warrantlening uitgegeven tegen de contante waarde en verkrijgt de houder daarnaast een warrant waarvoor een aparte prijs is bedongen dan neemt de debiteur de lening op zijn balans op voor de contante waarde. Komt de oprenting van de contante naar de nominale waarde dan naast de periodieke rente ten laste van de winst? Het is dan niet de toekenning van de warrant maar de oprenting die in aftrek komt. Art. 10, lid 1, onderdeel j, lijkt zich niet tegen deze aftrek te verzetten.4