Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/8.6.3.2
8.6.3.2 Het verbod op no cure no pay in strijd met het mededingingsrecht?
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS581203:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie NMa besluit 21 februari 2002, zaak 560 (Engelgeer/NOvA).
De Verordening is vastgesteld door de Nederlandse Orde van Advocaten, een openbaar lichaam met regelgevende bevoegdheden in de zin van art. 134 Grondwet, zodat deze bepaling moet worden aangemerkt als een materiële wetsbepaling in de zin van art. 3:40 lid 2 BW. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat de verbodsbepaling niet uitsluitend strekt tot bescherming van de belangen van de justitiabele, zodat een afspraak die strijdig is met het verbod nietig is (en dus niet slechts vernietigbaar).
Persbericht (05-06) van de NMa d.d. 4 maart 2005.
De NMa heeft in 2002 een redelijk vermoeden uitgesproken dat het verbod op no cure no pay in strijd is met artikel 6 Mw, omdat advocaten door het verbod in hun concurrentiemogelijkheden jegens elkaar worden beperkt.1 De NOVA heeft met betrekking tot no cure no pay in de Verordening op de Praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning) dezelfde ver
bodsbepalingen opgenomen als in de gedragsregels (artikel 2 lid 1). Dit verbod heeft een dwingend karakter, mede in aanmerking genomen de strekking van de Verordening zoals beschreven in de Nota van Toelichting, waarin nadrukkelijk wordt aangegeven dat dit verbod van cruciale betekenis wordt geacht voor een behoorlijke uitoefening van de advocatenpraktijk.2 Door het creëren van een formele basis voor het verbod op no cure no pay heeft de NOvA de mededingingswetgeving buiten spel willen zetten. Het verbod op quota pars litis is neergelegd in artikel 2 lid 2 van de Verordening op de Praktijkuitoefening (onderdeel Resultaatgerelateerde Beloning).
In 2005 heeft de NMa rapport opgemaakt en het vermoeden geuit dat de Orde met het verbod op resultaatsafhankelijk declareren Nederlandse en Europese mededingingsregels overtreedt.3 Het verbod beperkt de advocaat in zijn vrijheid om zelf zijn declaratiemethode te bepalen en beperkt daarmee de onderlinge concurrentie. Een absoluut verbod op resultaatsafhankelijk declareren gaat volgens de NMa verder dan noodzakelijk is voor het waarborgen van de goede beroepsuitoefening. De NMa besluit de sanctieprocedure echter tijdelijk op te schorten gelet op het rapport van de Commissie Advocatuur (onder voorzitterschap van Van Wijmen).