Bijzonder ontslagprocesrecht
Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.1:7.1 Inleiding en plan van aanpak
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.1
7.1 Inleiding en plan van aanpak
Documentgegevens:
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS354713:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk stond het ontbreken van hoger beroep en cassatie in de ontbindingsprocedure centraal. Een andere procesrechtelijke bijzonderheid in de ontbindingsprocedure ziet op de niet (integrale) toepasselijkheid van het wettelijk bewijsrecht van afdeling 9, titel 2 uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zoals gezien in paragraaf 3.5 wordt in de wetgeschiedenis bij art. 284 Rv en de jurisprudentie tot uitgangspunt genomen dat de spoedeisendheid van de ontbindingsprocedure zich verzet tegen gebondenheid aan het wettelijke bewijsrecht. In de ontbindingsprocedure is men als partij aangewezen op het door middel van schriftelijke stukken en een mondelinge toelichting ‘voldoende aannemelijk’ maken van zijn stellingen.1 De kantonrechter kan wel besluiten getuigen te horen, maar als procespartij heeft men er geen recht op, zo wordt aangenomen.2 Ook dit roept, zeker in combinatie met het rechtsmiddelenverbod, vragen op met betrekking tot de rechtsbescherming van werkgevers en werknemers in de ontbindingsprocedure.3 Schriftelijke stukken en een mondelinge toelichting zullen namelijk niet altijd in staat zijn alle gestelde feiten te verhelderen.4 Wordt in dat geval geen toepassing gegeven aan het wettelijk bewijsrecht door bijvoorbeeld een getuigenverhoor of een deskundigenbericht, dan beslist de kantonrechter de zaak zonder dat de onderliggende feiten voldoende [zijn uitgezocht en] vaststaan, hetgeen een onjuiste beslissing in de hand werkt. Daarnaast menen verscheidene auteurs dat de beperkte mogelijkheid tot bewijslevering in de ontbindingsprocedure op gespannen voet staat met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling.5 Voornoemde kritiek staat in dit hoofdstuk centraal. In het kader van de rechtsbescherming van partijen wordt allereerst nagegaan of er nooit gebondenheid bestaat voor de kantonrechter aan het wettelijk bewijsrecht in de ontbindingsprocedure. Daarna staat het recht van art. 6 EVRM centraal. Welke eisen stelt dit recht aan het nationale bewijsrecht? Beoordeeld wordt of de ontbindingsprocedure daarmee in overeenstemming is.
In paragraaf 7.2 wordt allereerst ingegaan op het bewijsrecht in de ontbindingsprocedure in relatie tot de rechtsbescherming van partijen. Onderzocht wordt of de wetgever en de Hoge Raad alle ontbindingsprocedures categorisch hebben willen uitsluiten van toepasselijkheid van alle bewijsrechtelijke voorschriften. Daarbij wordt tevens een uitstapje gemaakt naar het kort geding, aangezien aangenomen wordt dat die procedure op het punt van het bewijsregime vergelijkbaar is met de ontbindingsprocedure. Vervolgens wordt in paragraaf 7.3 ingegaan op de verhouding tussen art. 6 EVRM en de bewijsvoering in de ontbindingsprocedure. Onderzocht wordt welke eisen voornoemd artikel stelt aan het nationale bewijsrecht en of de ontbindingsprocedure op het punt van het bewijsrecht daarmee in overeenstemming is. Afgesloten wordt met een conclusie in paragraaf 7.4.