Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.4:1.4 Onderzoeksvragen
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/1.4
1.4 Onderzoeksvragen
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455185:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in het voorgaande is beschreven kan de uitleg van de in de Grondwet en EVRM opgenomen term godsdienst door de wetgever en rechter eigenlijk niet geschieden op grond van een welomschreven definitie van de grondwetgever of de opstellers van het EVRM. Het frappante is dat er in wetgeving en jurisprudentie toch definities en kwalificaties met een religieus karakter kunnen worden aangetroffen. Dit roept de vraag op welk begrip van godsdienst hieraan ten grondslag ligt. Ook is het interessant om na te gaan of dit begrip algemeen in het recht wordt gehanteerd. Mogelijk dat er per rechtsgebied verschillen zijn te constateren. Daarnaast is het belangwekkend te analyseren in hoeverre het begrip godsdienst aan een ontwikkeling is onderworpen. Deze overpeinzingen worden samengebald in de eerste subvraag van dit onderzoek:
Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het zou onbevredigend zijn wanneer dit onderzoek enkel beschrijft wat het juridische begrip van godsdienst is zonder daarbij een oplossing te bieden voor het bovengenoemde kwalificatie- en definitieprobleem. Het hoofddoel van dit onderzoek is daarom de vraag te beantwoorden wat nu voor het recht het beste begrip is van godsdienst. Om deze vraag te kunnen beantwoorden is een grondig inzicht in het juridische begrip van godsdienst noodzakelijk. Dit kan verkregen worden door niet alleen na te gaan wat het juridische begrip van godsdienst is maar ook waarom het juridische begrip van godsdienst is wat het is. Voor het verkrijgen van een antwoord op deze laatste vraag is het nodig om in wetgeving en jurisprudentie de motieven voor het geven van bepaalde definities en kwalificaties met een religieus ‘karakter’ te onderzoeken. Dat wil zeggen, dat moet worden nagegaan waarom bepaalde uitingen en gedragingen als godsdienstig worden gekwalificeerd en andere niet, en waarom er bepaalde definities worden gehanteerd die het godsdienstbegrip beperken in omvang en tot gevolg hebben dat sommige uitingen en gedragingen wel en andere niet als godsdienstig kunnen worden gekwalificeerd.
Dit onderzoek probeert om door analyse van parlementaire stukken, wetgeving en jurisprudentie bovengenoemde motieven te inventariseren. Hierdoor wordt een dieper inzicht verkregen in het juridische begrip van godsdienst. Met dit inzicht is het ook mogelijk om het juridische begrip van godsdienst te categoriseren binnen een politiek-filosofisch kader. Hierdoor kan nog beter worden begrepen waarom het juridische begrip van godsdienst is wat het is. De tweede subvraag van dit onderzoek luidt daarom:
Binnen welk politiek-filosofisch kader kan het juridische begrip van godsdienst worden geplaatst?
De analyse van het juridische begrip van godsdienst en de categorisering ervan binnen een politiek-filosofisch kader maken het mogelijk om dit begrip te bekritiseren. Vervolgens kunnen er op grond van deze kritiek voorstellen tot verbetering worden gedaan. Dit brengt ons tot de hoofdvraag. Die luidt:
Welk begrip van godsdienst zou het recht moeten hanteren?